Het is een toevallige vondst in het depot van de MuseumFabriek: een drukplaat uit het begin van de jaren 50 van de vorige eeuw. Met het drukbeeld van een formulier van de Enschedese sociale dienst uit die periode. Een vragenformulier, bedoeld om het recht op armenzorg te kunnen bepalen. Er is in bijna tachtig jaar niet veel veranderd.
Dat wil zeggen: de methodiek om te bepalen wie voor een sociaal vangnet in aanmerking komt en wie niet, is zo goed als hetzelfde. Vragenlijsten, criteria, inclusief een inschatting van risico’s om misbruik van regelingen te voorkomen. Dat ingevulde formulier leverde een soort score op; een handig hulpmiddel voor de ambtenaren die een aanvraag om armenzorg moesten beoordelen.
Wat wèl heel anders is: de omschrijving van die criteria en de mogelijke risico’s. Die ademen niet alleen de spruitjesmoraal van die jaren 50, ze zijn ook ongezouten stigmatiserend. Vooral dat laatste is in onze tijd ondenkbaar.
Wat dacht je van een vraag als deze: is de huisvrouw bedreven in haar taak als huisvrouw? Om daar een goed beeld van te vormen, werden die taken apart benoemd: naaien, verstellen, koken, kinderen verzorgen. Waaraan je dat moest afmeten is niet duidelijk, maar achter ieder rubriekje werd een coëfficiënt ingevuld.
Leeft het individu in concubinaat? Dat is een ouderwets woord voor samenwonen. Of hokken, zoals het anderhalf decennium later zou gaan heten. Ongehuwd samenwonen was moreel verwerpelijk en dus verdacht. Een risicofactor. Misschien had zo’n vrijbuiter zijn of haar ‘onderstand’, zoals armoede werd genoemd, wel aan zichzelf te wijten.
Lees verder onder de afbeelding.
Maar je kunt je ook voorstellen dat armenzorg voor een stelletje er wat anders uitziet dan voor een alleenstaande. Misschien hokken ze wel stiekem om meer geld los te peuteren. Dan doet zo’n vraag denken aan de controles op samenwonen en het tandenborstels tellen dat sociaal rechercheurs tegenwoordig doen.
Is het individu… een zwerver? Een logementbewoner? Een drankzuchtige? Een prostituée? Werkschuw? Doet ‘ie geïnteresseerd mee aan volksontwikkelingsprogramma’s? Is ‘ie lichamelijk of geestelijk onvolwaardig?
De inventarisstaat Gemeentelijke Dienst Sociale Zaken Enschede, zoals het formulier heet, staat vol met dit soort vragen. Bedoeld om te onderzoeken in welke categorie de aanvrager viel, of hij of zij een sociaal netwerk had die wat kon betekenen, welke maatschappelijke organisatie (een kerk?) bij kon springen en wat er dan nog vanuit de gemeentekas nodig was.
Een vangnet, dus. Destijds geregeld in de Armenwet. Die werd in 1965 vervangen door de bijstandswet. Het verschil, kort door de bocht: met die bijstandswet kregen armen rechten, dat bood de armenwet niet. Armenzorg was de taak van kerken, de staat had er niets over te zeggen. Gemeenten mochten alleen bijspringen als de kerk het niet meer aankon.
Dat was halverwege de negentiende eeuw zo vastgelegd bij wet. Thorbecke, de grondlegger van onze huidige democratie en de scheiding van kerk en staat, wilde dat wel anders, maar kreeg dat niet voor elkaar. Zijn regering viel en maakte plaats voor een conservatief-protestants kabinet. Die zag niets in overheidsbemoeienis met armenzorg.
Lees verder onder de afbeelding.
Armenzorg was, behalve een bijbelse opdracht, ook klantenbinding; was je belijdend en deugdzaam lid, dan kon je rekenen op steun. Was je dat niet, dan moest je een deurtje verderop maar hulp zien te krijgen. Dat veranderde pas bij de invoering van de algemene bijstand, in 1965. Vanaf dat moment was armenzorg een publieke taak en kon je rechten laten gelden.
Deze inventarisstaat uit de MuseumFabriek werd gebruikt in de periode tussen 1948 en 1950, afgaand op de vragen die er op staan en de regelingen die golden. De Tweede Wereldoorlog was net voorbij. Nederland was nog maar net begonnen aan de wederopbouw. Instituties functioneerden nog nauwelijks, veel mensen waren op drift geraakt.
Ook Enschede had te maken met uiteengereten gezinnen, repatrianten uit gevangenschap en kampen, mensen die huis en haard kwijt waren, buurten waar bombardementen verwoestingen hadden aangericht. Met dit formulier zullen klerken op de gemeentelijke burelen hebben gedaan wat passend was voor wie om hulp kwam.
Je kunt je vrolijk of druk maken om de manier waarop dat gebeurde en de criteria die zij hanteerden, maar het is de vraag of wij dat zo heel anders doen. Zwart-op-wit kom je stigma’s als op dit formulier niet meer tegen. Dat zou geheid tot Kamervragen leiden. Of een tik op de vingers van discriminatiewaakhonden en de Autoriteit Persoonsgegevens.
Maar in kroegen, op socials en in geautomatiseerde profileringssystemen van overheden vind je de wereld aan stigma’s. Onder ons, als er gegarandeerd medestanders zijn. En op plekken waar je het niet ziet.
Elke week lichten collectiebeheerder Edwin Plokker en 1Twente-verslaggever Ernst Bergboer een object uit het depot van de Enschedese MuseumFabriek. Dat depot is een verhalen-kabinet: al die objecten vertellen stukjes Twentse geschiedenis - oeroud èn kakelvers.
Meer zien en lezen? In het dossier op de website van 1Twente vind je alle afleveringen die tot nu toe verschenen zijn.