Rondkomen met je inkomen. Dat is het programma waarmee de gemeente Enschede minima probeert te helpen het maandelijkse huishoudboekje rond te krijgen. Dat lijkt steeds beter te lukken, zo blijkt uit een onderzoek van het Nibud. Voor paren met kinderen blijft het oppassen geblazen. Zelfstandig wonende jongeren hebben nog altijd een structureel probleem.
Het Nibud steekt elke twee jaar de peilstok in de ontwikkeling van minima-inkomens in Enschede. Met deze zogenaamde ‘minima effectrapportage’ (MER) houden college en raad de vinger aan de pols van het armoedebeleid. In de afgelopen vier à vijf jaar lijken de armste huishoudens in de stad elke maand langzaamaan iets meer over te houden in hun portemonnee.
Dat het voor de meeste minima-huishoudens langzaam beter gaat, komt door een combinatie van landelijke en lokale maatregelen. Enschede investeert meer in armoedebeleid, probeert instanties en organisaties die zich hard maken voor minima beter te laten samenwerken en zoekt manieren om mensen met schulden sneller en persoonlijker te helpen. Dat werpt vruchten af.
Tegelijkertijd: het blijft pleisters plakken. Vinden wethouder Arjan Kampman en ambtenaren om hem heen. Huishoudens tot 130 procent van het minimuminkomen zijn afhankelijk van gemeentelijk beleid; weten zij de loketjes niet te vinden, dan zakken ze makkelijk door het ijs. Vinden ze die loketjes wel, dan houden de meeste iedere maand een paar tientjes tot een paar honderd euro over. Dat is: nadat alle kosten voor levensonderhoud en vaste lasten zijn betaald.
Klinkt aardig, is ook een verbetering ten opzichte van de berekeningen van twee jaar geleden. Maar daar horen een paar stevige kanttekeningen bij. Alleenstaande ouders en paren met oudere kinderen zitten in de financiële gevarenzone. Hen moet niks geks gebeuren, want dan raken ze makkelijk in de knoei.
Lees verder onder de afbeelding.
De tweede kanttekening is dat jongeren never nooit niet rond kunnen komen. Zelfstandig wonende jongeren met een bijstandsuitkering of minimumloon komen elke maand structureel 56 euro tekort. Feitelijk is dat bijstandstekort veel groter, maar de gemeente vult aan tot het minimumloon. Studeren ze, dan hebben ze maandelijks maar liefst 582 euro te weinig.
Dat zit ‘m vooral in rijksbeleid: ouders hebben een zorgplicht die geldt tot het 21ste levensjaar en worden dus geacht om bij te springen. Maar niet alle jongeren hebben ouders of ouders die dat kunnen. Het Nibud tekent daar bij aan dat Enschede een studentenstad is en dus relatief veel jongeren zal tellen die in een financieel lastig parket zitten. Hoeveel precies is niet te zeggen.
Laatste kanttekening is dat de berekening van het Nibud alleen opgaat voor huishoudens die ‘heel goed met geld kunnen omgaan’, gebruik maken van alle ondersteunende maatregelen waarop zij aanspraak kunnen maken en geen hoge persoonlijke kosten hebben die onvermijdelijk zijn. En dat Nibud gaat bijvoorbeeld uit van standaardprijzen voor bijvoorbeeld huur en voedsel.
De werkelijkheid kan dus heel anders uitpakken. Bijvoorbeeld als de huur hoger (of lager) is, als je flink rookt en daar niet van af komt of op een dieet zit waardoor je meer kwijt bent aan boodschappen.
De praktijk is natuurlijk vaak anders. Lang niet iedereen kan goed met geld omgaan. Dat geldt voor mensen met veel en weinig inkomen. En die laatsten hebben er een kopzorg bij; dat maakt zorgvuldig budgetbeheer niet makkelijker.
En lang niet alle huishoudens maken optimaal gebruik van de mogelijkheden. Je moet die potjes maar net weten te vinden. Dat zijn er zo’n twintig, waarvan er maar een handvol door de gemeente zelf wordt geregeld. Voor het merendeel - kinderbijdragen, schuldhulp, onverwachte huishoudelijke uitgaven, etc. - moet je vaak bij andere organisaties zijn. Elk met eigen regels en een eigen aanvraagprocedure.
Wie al bij de gemeente in beeld is - meestal omdat er een bijstandsuitkering loopt - wordt soms automatisch bediend of geholpen met een vooringevuld aanvraagformulier. Mede daardoor is Enschede er in de voorbije jaren steeds beter in geslaagd om huishoudens te bereiken. In elk geval met een aantal regelingen.
Zo maken verreweg de meeste minima inmiddels gebruik van een goedkopere collectieve ziektenkostenverzekering en kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Ook initiatieven bedoeld om kinderen aan schoolspullen of lidmaatschap van een sportclub of muziekles te helpen, worden goed gevonden.
Bij bijzondere bijstand, inkomenstoeslag en ook studietoeslag is dat bereik minder groot. Keerzijde: dat zijn regelingen die vooral bedoeld zijn voor eenmalige onverwachte kosten. Of voor een specifieke groep inwoners: studenten.
Het Nibud adviseert de gemeente dan ook om alles op alles te zetten om dat hele pakket van Rondkomen met je inkomen zo goed mogelijk bekend te maken. En om de drempel voor aanvragen zo laag mogelijk te maken. Dat sluit aan bij gemeentelijke inspanningen om er voor te zorgen dat inwoners met een hulpvraag - welke dan ook - bij één loket terechtkunnen. Daarin spelen Wijkwijzers een belangrijke rol, maar ook ‘De Vlecht’, gevestigd aan de Haaksbergerstraat.
Daar zijn de voedselbank, de kledingbank en het meubeldepot gevestigd. Partijen als de Stadsbank (schuldhulp) en Alifa (hulp bij het invullen van formulieren) houden er spreekuur. Maar ja, ook daarvoor geldt: je moet dat loket dan wel weten te vinden.
Met name Enschedeërs die geen uitkering ontvangen maar wel een minimuminkomen hebben (of kampen met hoge uitgaven), weten de weg naar ondersteuning lastiger te vinden. Denk aan zelfstandigen die maar net - of net niet - het hoofd boven water weten te houden. De gemeente heeft hen niet in het vizier. Zij weten soms niet dat ze kunnen aankloppen voor hulp. Of waar zij dat kunnen doen.
Na een periode van streng beleid op met name de bijstand, startte Enschede met een nieuwe aanpak van armoede in de stad. Menselijker, dichterbij, bereikbaarder. In 2020 werd ‘Rondkomen met je inkomen’ gelanceerd, een poging om met gemeentelijk beleid de financiële gaten die het rijk in de inkomens voor minima liet vallen zo goed mogelijk te dichten.
Knelpunt daarbij is dat gemeenten maar voor een deel zelf kunnen bepalen wat zij met hun centen doen. Veel budgetten zijn geoormerkt en mogen maar met een specifiek doel worden ingezet. Daarbij mogen gemeenten geen inkomenspolitiek bedrijven; dat is aan Den Haag. Wat de regering en het parlement daar laten liggen, kunnen gemeenten maar beperkt bijspijkeren. Lapwerk, dus. Of pleisters plakken.
Evengoed stak Enschede, volgens eigen cijfers, vorig jaar zo’n 16,5 miljoen in aanvullende maatregelen om de inkomenspositie van minima (tot 130 procent van het minimumloon) te verbeteren. Dat is dus buiten de bijstandsuitkeringen, die een basisvangnet zijn. Vaak is dat in de vorm van subsidies of compensatie aan organisaties die ondersteuning bieden. Denk aan stichting Leergeld (1,7 miljoen) en de kosten voor een collectieve zorgverzekering bij Menzis (2,2 miljoen).
In andere gevallen gaat dat inkomsten die de gemeente misloopt. Denk aan kwijtschelding van gemeentelijke belastingen (bijna 4 miljoen).
Voor een deel van de kosten kan de gemeente aankloppen bij het rijk. Dat gaat met name om kosten voor de uitvoering van wettelijke taken (bijzondere bijstand en inkomenstoeslag, bijvoorbeeld). Maar daarbij worden ingewikkelde rekenmodellen gehanteerd en de uitkomst daarvan dekt niet altijd alles.
Al met al betekent dat ‘Rondkomen met je inkomen’ een flinke hap uit de gemeentebegroting: zo’n tien miljoen euro. Vergeet niet dat ook de organisaties die ondersteuning bieden kosten maken die lang niet altijd worden betaald uit gemeentelijke subsidies. Sommige daarvan boren dan ook nog aanvullende inkomstenbronnen aan.