Verkeer
Stuur appje
Zoek
Arjan Kampman - Roelof Bleker - stadsbrief

Enschede heeft haar ‘bewijs’ terug dat het 700 jaar stad is, maar hoe waterdicht is dat?

Arjan Kampman - Roelof Bleker - stadsbrief
Wethouder Arjan Kampman overhandigt een kopie van de stadsbrief van 1325 aan burgemeester Roelof Bleker.
Beeld: Ernst Bergboer

We schrijven 15 december 1325, zevenhonderd jaar geleden, Enschede krijgt stadsrechten. Vastgelegd in een stadsbrief, ondertekend door Jan van Diest, de bisschop van Utrecht. Die brief ging verloren bij de stadsbrand van 1862, een veel latere kopie is eveneens zoek. Onlangs overhandigde wethouder Arjan Kampman een nieuwe kopie aan burgemeester Roelof Bleker. Een mooi staaltje stadsmarketing. Maar is Enschede wel echt 700 jaar geworden?

Die officiële lezing over de ouderdom van stad Enschede klopt namelijk niet, stellen verschillende historici van vroeger en vandaag. Als je de bronnen (of het ontbreken daarvan) op een rijtje zet, blijven er maar twee mogelijke conclusies over: stad Enschede is veel ouder dan de zeven eeuwen die we in het afgelopen jaar vierden, of het is nooit echt stad geweest. In dit artikel zetten we de belangrijkste feiten, theorieën en bronnen op een rijtje.

Zelfbeschikking en autonomie

Toegegeven: voor de praktijk van vandaag de dag doet het er weinig toe en een goed verhaal blijft een goed verhaal, maar je moet fabeltjes en geschiedenis niet door elkaar halen. Dit is een verhaal over stadsrechten. Dat gaat over zelfbeschikking, autonomie. Een proces van bevrijding van het soevereine recht van een grondeigenaar. In de tijden waarover we het hier hebben: de kerk of de adel.

“Hun geheel raisonnement is niet anders dan eene losse onderstellinge”

Hamvraag is vooral: wanneer was je echt stad? In die tijd kon je dat in Overijssel in elk geval met zekerheid zeggen van Deventer, Kampen en Zwolle. Maar Enschede?

De stadsbrief uit 1325

Laten we beginnen bij die stadsbrief uit 1325, waarvan Kampman in stijl een kopie de raadszaal in droeg. Die kopie is niet van een document waarin de bisschop Enschede stadsrechten geeft. Van Diest verleent Enschede het recht zelfstandig recht te spreken en zelfs de doodstraf op te leggen. In vaktermen: ‘hoge jurisdictie’, ook wel ‘halsrecht’ genoemd. De stad mocht alleen niet zelf haar bestuurders kiezen, dat recht behield de bisschop aan zichzelf voor.

Bedenk dat stadsrechten niet in één keer kwamen. Het gaat daarbij om een hele zwik rechten, die opeenvolgend werden verleend. Wat aanvankelijk een boerschap of buurtschap was, kreeg stap voor stap meer vrijheden om zelf zaken te regelen. Dat begon vaak bij het recht om een keer per week of per jaar een markt te houden.

Later volgden nieuwe rechten. Het recht om eigen munten te slaan, om gildes op te richten, tol te heffen of te jagen. En dat strafrecht. Daarmee vergrootte zo’n gemeenschap zijn politieke, economische en culturele macht. Totdat de bisschop of de keizer je het volledige stadsrecht gaf, inclusief het recht om je eigen bestuurders te kiezen. Vanaf dat moment werd zo’n stad ook vertegenwoordigd in de Provinciale Staten.

Lees verder onder de afbeelding.


Enschede verkocht
Enschede was handelswaar: in 1331 verkoopt de landsheer van Enschede zijn bezit aan Jan van Diest, de bisschop van Utrecht.
Beeld: 1Twente

Overijssel kende lange tijd maar drie steden met dat privilege: Deventer, Kampen en Zwolle. Hanzesteden. Schathemeltjerijk. Met beursgebouwen, pakhuizen, muren, poorten, bibliotheken en universiteiten. De rest van Overijssel werd in de Staten vertegenwoordigd door de adel, de ridderschap. Dat ging om drie gewesten: Vollenhove, Salland en Twente. Enschede wordt in die periode (1333) zelfs door ridder Hendric van Ottenstyene verkocht aan de bisschop.

Terug naar die stadsbrief over strafrecht uit 1325. Halsrecht was een privilege van steden. Alleen die mochten autonoom de recht spreken over zwaarste misdaden en daar de zwaarste straffen aan verbinden. Als Enschede in 1325 het halsrecht kreeg, moet het dus stad zijn geweest. Maar dan heeft het al veel eerder die stadsrechten gekregen.

7e eeuwfeest minstens 6 jaar te laat

Een stad was pas stad als het verdedigingswerken had. Een gracht, muren en poorten. Het duurt wel even voordat je dat voor elkaar hebt, reden voor streekhistoricus Geert Bekkering om er vanuit te gaan dat Enschede al in 1319 of eerder stad moet zijn geworden. Bekkering schreef daarover een uitgebreid artikel in het laatste nummer van het kwartaalblad van Oudheidkamer Twente, ’t Inschrien. In het jaar waarin Enschede haar 700ste verjaardag vierde. Wat hem betreft dus minstens zes jaar te laat.

Snuif apotheker
Lees ook
In Depot: Snuif, apotheker en Twentse regionalist

Bekkering is niet de eerste die dat concludeerde. Cornelis Jan Snuif - apotheker, streekhistoricus en mede-oprichter van de oudheidkamer - schreef er rond het vorige eeuwfeest een boekje over. En oudheidkamervoorzitter J.J.H. Meijer schreef een artikel in ’t Inschrien in 1975, toen Enschede haar (bescheiden) 650ste verjaardag vierde. Beiden zien in die stadsbrief uit 1325 de bevestiging dat Enschede daarvoor al stad was.

Een kopie, de echte was en is zoek

Maar er speelt meer. Die stadsbrief is namelijk een kopie. Een ‘authentiek afschrift van het origineel’ zoals Dr. Joost C.M. Cox het noemt in zijn van de stadsrechten in Nederland’, het naslagwerk waarmee hij in 2012 promoveerde aan de universiteit van Leiden. Wethouder Kampman droeg dit jaar dus een kopie van een kopie de raadszaal in.

De echte stadsbrief is nergens te vinden. Niet in het Enschedese stadsarchief, maar dat komt doordat de stadsbrand van 1862 dat vernietigde. Niet in het archief van het bisdom van Utrecht, en daar komt dat ding toch vandaan.

Enschede - 650 jaar - jubileum
Lees ook
In Depot: hoe Enschede vijftig jaar geleden het 650-jarig bestaan vierde

Een verwijzing is er evenmin. Ook niet in de toch uitgebreide beschrijvingen van wat Jan van Diest allemaal heeft uitgespookt tijdens zijn bewind. Je vindt tal van verklaringen van aankopen, schulden en aflossingen; boodschappenlijstjes, inkopen van voorraden bier en wijn; de afdracht van tienden uit allerlei gehuchten op de gronden van het bisdom. En dat waren er veel, ruwweg het leeuwendeel van de provincies Utrecht, Overijssel (het Nedersticht) en Drente (het Oversticht).

Geen akte waarin Enschede stadsrechten krijgt

Datzelfde geldt voor het document waarin Enschede volledige stadsrechten zou hebben gekregen: het is onvindbaar. Geen spoor van dat document zelf, geen enkele verwijzing dat Van Diest of een voorganger een dergelijk document heeft opgesteld of stadsrechten verleent. Alleen aantekeningen dat de zoveelste nieuwe bisschop bevestigt dat Enschede het recht heeft om week- en jaarmarkten te houden.

Maar daarmee was het nog geen stad. Wat het dan wel was?

Geen Twentse steden in de Staten

In die tijd, maar ook daarvoor, was geen enkele Twentse plaats in die Staten vertegenwoordigd. Daar zaten alleen de ‘schepenen’ uit Deventer, Kampen en Zwolle. De overige gewesten - Vollenhove, Salland en Twente - werden vertegenwoordigd door de ridderschap, één edelman per gewest.

In een adressenboekje van ambtelijk Nederland uit 1781 staan de namen van de bestuurders van alle steden en provincies. Maar in het hoofdstuk ‘De Naamen van de Heeren der Regeeringhe in de Provincie van Over-Yssel’ zoek je vergeefs naar stadsbestuurders uit Twente. Je vindt er alleen edelen, vertegenwoordigers van het ridderschap. Geen magistraten of 'schepenen'.

Lees verder onder de afbeelding.


  • Kaart Nicolaas ten Have 1640-1650 - detail
    Op de eerste kaarten uit Overijssel (1640) staat Enschede niet als stad ingetekend (afb. 1 en 2), in het bestuurlijk namenboek uit 1781 vind je geen afgevaardigden van Twentse steden (afb. 3).
    Beeld: 1Twente
  • Kaart Nicolaas ten Have 1640-1650
    Op de eerste kaarten uit Overijssel (1640) staat Enschede niet als stad ingetekend (afb. 1 en 2), in het bestuurlijk namenboek uit 1781 vind je geen afgevaardigden van Twentse steden (afb. 3).
    Beeld: 1Twente
  • bestuurlijk adresboek 1781
    Op de eerste kaarten uit Overijssel (1640) staat Enschede niet als stad ingetekend (afb. 1 en 2), in het bestuurlijk namenboek uit 1781 vind je geen afgevaardigden van Twentse steden (afb. 3).
    Beeld: 1Twente

Op de oudste bekende kaarten van Overijssel, die van Nicolaas ten Have uit 1640-1650, is Enschede niet als stad maar als dorp ingetekend. In tegenstelling tot Oldenzaal en Ootmarsum, overigens.

‘Kerspel’ Enschede

In de documenten vanaf 1325 uit het archief van het bisdom van Utrecht wordt Enschede consequent ‘kerspel’ genoemd. Dat is een gebied dat viel onder zowel het kerkelijke als het wereldlijke bewind van de bisschop. Die kerkvorsten heersten over beide: het hemelse en het aardse. In kerspels was de landsheer - in dit geval de bisschop - de absolute baas. Die stelde uit de hoge adel een schout of drost aan om zijn belangen te behartigen en de orde te bewaren. Niks zelfbestuur.

Enschede heeft voor haar claim dat ze stad is alleen dat afschrift van die stadsbrief uit 1325, bezegeld door Jan van Diest. Alle verwijzingen naar Enschede als stad dateren van na 1781, het jaar waarin de kopie van die brief voor het eerst op de proppen komt. Ze voeren ook allemaal terug naar dat ene exemplaar.

Ruzie met de drost

Het document waarin de stadsbrief uit 1325 werd opgevoerd, was een pleitnota. Bedoeld om de Staten van Overijssel ertoe te bewegen de kleine Twentse steden jachtrecht te verlenen. En - eindelijk - het recht om een eigen bestuur te kiezen. Die steden trokken gezamenlijk op: er werd een beroepsschrift geschreven voor Enschede met het idee dat de andere stedekes bij een positieve afloop zouden meeprofiteren.

Die stedekes zaten in eenzelfde schuitje: wat zij aan rechten hadden was een paar jaar daarvoor door de drost drastisch ingeperkt. Die zaak liep hoog op, zeker waar het Enschede betrof. De drost had namelijk ook opdracht gegeven om voor hem een aardig optrekje met vijver te bouwen.

Lees verder onder de afbeelding.


Pleitschrift Racer
Het pleitschrift van advocaat J.W. Racer namens Enschede (1783).
Beeld: 1Twente

Het belangrijkste argument in die zaak: bisschop Jan van Diest had Enschede het halsrecht verleend. In 1325 nota bene. Het is dan toch van de zotte dat de stad anno 1781 nog geen jachtrecht heeft en niet haar eigen bestuurders kan kiezen? De stadsbrief waarin dat stond was als bijlage bijgevoegd. Perkament, bisschoppelijke lakzegels, alles erop en eraan.

Meer vragen…

Maar er speelt meer, behalve dat het hier om een kopie van de echte stadsbrief ging. Want: halsrecht? Enschede? Volgens diezelfde pleitnota kreeg Zwolle die ‘hoge jurisdictie’ pas in 1404. Driekwart eeuw later. Dat is gek. Zwolle viel onder hetzelfde bisdom, maar was een echte, autonome stad. Met eigen vertegenwoordigers in de Staten.

Nog iets merkwaardigs: Jan van Diest was in 1325 nog helemaal geen bisschop. Tenminste: niet helemaal. Hij was nog niet eens priester. Pas in 1327 werd hij door de aartsbisschop tot priester en bisschop gewijd. In dat jaar bedient hij dan ook pas voor het eerst de mis.

icon_main_info_white_glyph

Wie en wat was Jan van Diest?

Jan van Diest was een edelman en kwam uit het ridderschap van Brabant. Hij was een leenheer van Koning Willem III, anders gezegd: Van Diest spekte de kas van de koning met opbrengsten van de grond die hij in gebruik had. Willem III droeg hem voor als nieuwe bisschop van Utrecht, zeer tegen de zin van het lokale en regionale kerkbestuur. Die hadden iemand anders voor dat ambt op het oog, gesteund door de aartsbisschop van Keulen, maar visten achter het net.


Van Diest stapte naar de paus, Johannes XXII. Die passeerde de kapittels in Utrecht en de Keulse bisschop en wijdde hem in 1327 in Avignon tot priester en bisschop. Dat ging in één moeite door.


Het bewind van bisschop Jan, een opportunist pur sang, duurde van 1320 tot 1344 en werd een drama. Het ging gepaard met vergaande vriendjespolitiek, mega-aankopen van grond en financieel wanbeheer. Van Diest, die al diep in de schulden zat, kocht het Oversticht, grofweg de huidige provincies Overijssel en Drente. Met geld van de graven van Holland en Gelre, die hem daarmee in de houdgreep kregen.


Als achtergrond: bisschoppen, aartsbisschoppen en pausen waren niet alleen kerkelijke maar vooral ook wereldse machthebbers. Met een eigen leger en oorlogskas. Alles draaide om grond en bezit. Niet anders dan voor edelen, koningen en keizers. Het was één grote dans om macht.

Dat wil niet zeggen dat hij zijn wereldlijke macht niet al eerder uitoefende; het gebeurde vaker dat zo’n ‘elect’ geen priester was. Die bisschoppen van toen waren lang niet zo heilig als tegenwoordig en hun bewind was even rommelig en opportunistisch als dat van hedendaagse politici. Ook toen speelden geld, loyaliteiten en privileges een grote rol in de dans om de macht.

Was die stadsbrief een vervalsing?

Als het om die overgeschreven stadsbrief gaat bestaat er dan ook nog een andere theorie: dat ding was niet echt. Een vervalsing, nagemaakt van een bestaande stadsbrief van een andere stad. En daar zijn goede argumenten voor. Maar daarvoor moeten we terug naar die zaak uit 1781, waarbij een afschrift van die stadsbrief voor het eerst op tafel kwam.

Het is jurist J.W. Racer die de pleitnota voor Enschede schrijft, mede namens de andere Twentse stedekes. Vraag is natuurlijk waarom hij niet met iets beters op de proppen komt: een akte waarin Enschede stadsrechten kreeg, bijvoorbeeld. Vermoedelijk omdat er geen spoor van zo’n document te vinden is, ook niet in de archieven van het bisdom van Utrecht.

In zijn pleidooi voert Racer argumenten aan voor een gelijkwaardiger behandeling van de Twentse stadjes ten opzichte van Deventer, Kampen en Zwolle. Gelijke monniken, gelijke kappen; dat idee. Maar dan moet je wel aantonen dat die monniken gelijke kappen hebben. En dan komt Racer in een bijlage met die stadsbrief op de proppen: Enschede, maar ook Ootmarsum en Oldenzaal, hebben eeuwen geleden het recht verkregen om de doodstraf op te leggen. Ondertekend door Jan van Diest.

De drost trekt van leer

Tegenstander in dat dispuut is Sigismond van Heiden Hompesch, heer van Ootmarsum en drost van Twente. In die laatste rol behartigde hij de belangen van stadhouder Willem V, maar vooral die van zichzelf. Zeker niet die van de inwoners van Enschede (of welk ander voetvolk dan ook). Overigens is het opmerkelijk dat stad Enschede rekening zou moeten houden met de grillen van een drost; steden regelden hun zaakjes zelf.

Het is de tijd waarin Tukkers massaal in opstand komen tegen de drostediensten in de regio. Dat is onder meer de verplichting om periodiek een substantieel deel van de opbrengst van je land of handeltje af te staan aan die drost. En via hem aan de landsheer, de bisschop. Een feodaal systeem dat in de rest van het land in 1651 was afgeschaft, maar waar Twente nog tot 1783 onder gebukt ging. Ook de kleine steden van Twente. En die hadden daar tabak van.

Die Van Heiden Hompesch laat niet over zich lopen. Hij legt een vernietigend (en hilarisch) verweerschrift op tafel, waarin hij geen spaan heel laat van de claim van Enschede op jachtrechten. En van die stadsbrief uit 1325. Dat is een broddelstuk, in zijn ogen. Het staat vol grammaticale fouten, waaronder de verwijzing naar de Heer die Enschede in die brief het halsrecht zou hebben verleend.

Lees verder onder de afbeelding.


  • Verweerschrift drost
    In zijn verweerschrift drijft de drost van Twente de spot met de claims van Enschede.
    Beeld: 1Twente
  • Verweerschrift drost
    In zijn verweerschrift drijft de drost van Twente de spot met de claims van Enschede.
    Beeld: 1Twente

Racer gebruikt een verkeerde aanspreektitel en trekt een veel te grote broek aan, betoogt hij. De inwoners van dat kleine stadje hebben niet eens het recht om hun eigen bestuurders te kiezen. Nooit gehad ook. Dat recht werd al eeuwen uitgeoefend door de drost van Twente. Anders dan andere ‘Steden, die dat recht by uitgebreider, en meer betekenende, Privilegien, verkregen hadden’.

In dat verweerschrift suggereert Van Heiden Rompesch dat die stadsbrief waarmee Racer de Staten wil overtuigen een vervalsing is. Eentje vol fouten die alleen een leek zou maken. Overgeschreven van de andere Twentse stadjes die met een handjevol rechten maar weinig in de melk te brokkelen hadden en goeddeels waren onderworpen aan bisschop en drost.

Een man met een motief

Dat afschrift was opgesteld door Hieronymus (Jeroen) Pennink, in die tijd de hoogste ambtenaar van Enschede. Benoemd door de bestuurders van Enschede. De drost wilde een ander maar streek over zijn hart omdat de moeder van Jeroen (Hermina Stroink) weduwe was en anders met vijf kinderen bleef zitten. Dat stelde dr. Arent Benthem, de opvolger van Ko van Deinse, in 1895.

Een man met een motief, als je advocaat van de duivel wilt spelen. Maar Enschede wint het pleit. Een belangrijk keerpunt voor de hele regio, die zich eindelijk wist te ontdoen aan de gehate dienst aan drost en bisschop. Vooral met hulp van de patriotten; een verhaal op zich. Maar die stadsbrief - of die er nou echt was geweest of niet - speelde in die ontwikkeling geen rol.

Dat laat, alles bij elkaar, maar een paar mogelijkheden. Dat Enschede 700 jaar geleden stadsrechten kreeg, hoort daar niet bij.

Als die stadsbrief uit 1325 echt is geweest, heeft Enschede al veel eerder stadsrechten gekregen. Of Jan van Diest heeft een loopje genomen met al die verschillende kleinere en grotere rechten waarmee een boerschap langzaam onafhankelijk en stad werd. Maar dan is het de vraag wat die brief waard was, ook toen.

De derde mogelijkheid is dat die brief nep was. Alleen bedoeld om vier-en-een-halve eeuw later meer rechten af te dwingen bij de Staten van Overijssel. In dat geval heeft Enschede nooit echt stadsrechten gehad.

Geen expliciete stadsrechten

Is Enschede dan misschien helemaal nooit een stad geweest? Net als de andere Twentse stedekes? ‘Stad’ is een fluïde begrip; het hangt er maar vanaf hoe je het definieert. Dat een gemeenschap rechten kreeg, wil nog niet zeggen je een autonome stad was. Daarvoor moest je toch echt een document kunnen overleggen waarin de bisschop of de keizer je dat recht expliciet verleende.

Zo’n document ontbreekt. Een verwijzing naar zo’n akte - secundair bewijs - is er ook niet.

Zeker, Enschede heeft rechten gekregen. Al in 1300 worden poorten genoemd. Rond 1319 wordt begonnen met het aanleggen van een gracht en een aarden wal met houten palissades. In de tweede helft van de vijftiende eeuw volgt een tweede gracht. Provisorische verdedigingswerken. De Enschedeërs mochten jaarlijks hout halen voor het onderhoud van die houten muur.

Maar of het daarmee een echte stad was? Wie het weet, mag het zeggen. In elk geval niet een stad van de statuur van Deventer, Kampen of Zwolle.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van een groot aantal bronnen, waaronder oude documenten uit het archief van het bisdom van Utrecht. De belangrijkste zijn de twee pleitnota’s van J.W. Racer, het verweerschrift van de drost van Twente en de ‘naamen van de Heeren leden der regeeringe in de provincie Over-yssel’ (uit 1783-1786); ‘De Enschedesche stadsbrief van 1325’ van C.J. Snuif (1925); de ‘regesten van oorkonden betreffende de bisschoppen van Utrecht van 1301-1340’ (uit 1937); het ‘repertorium van de stadsrechten in Nederland’ van J.C.M. Cox (2012) en de artikelen van J.J.H. Meijer en G. Bekkering in ’t Inschrien (okt. 1975 en dec. 2025).

Heb je een nieuwstip of nieuwe informatie?
Tip onze redactie via mail of telefoon. Deze vind je op onze contactpagina.