Misschien. Want het is het niet zo aardig, het doet een beetje pijn en het is nogal dubbel. ‘Enschede. Vrijplaats voor experiment’, dat is de titel van een expositie in Rijksmuseum Twenthe die zondagmiddag opende. Je zult er lovende woorden over horen en lezen. En terecht, want de tentoonstelling biedt een fascinerend overzicht van een baanbrekende avant-garde die in de stad ontstond. Maar je vraagt je ook af: hoe kan het dat die stad zelf dat nooit op waarde heeft geschat?
‘Enschede. Vrijplaats voor experiment’ staat in het teken van het 700-jarige jubileum van de stad. Bij de opening en ook in de aankondigingen van Rijksmuseum Twenthe wordt de link gelegd met een geschiedenis die ‘onlosmakelijk verbonden is met kunst’. Dat is maar hoe je het bekijkt.
Een donderpreek was meer op zijn plaats geweest. Dat dacht ik bij de lovende woorden bij de opening door Albert van Winden, voorzitter en gangmaker van de vieringen rond het 700-jarige bestaan van de stad. Er was geen woord van gelogen, maar de betekenis van kunst en zeker de experimentele varianten zoals die in Enschede ontstonden, is nooit doorgedrongen tot de stad. Om nou te suggereren dat Enschede en kunst een innig liefdesverbond hebben gesloten…
O, voor een select gezelschap ingewijden zeker. Net als voor een hele trits avant-gardekunstenaars die hier vandaan kwamen of zijn opgeleid. Enschede en Twente boden hen een vruchtbare voedingsbodem. Maar de waarde en betekenis daarvan is het bestuur, de politiek en de bevolking van de stad goeddeels ontgaan.
Wie rondloopt in het verhaal dat Rijksmuseum Twenthe vertelt over die regionale avantgardisten, begrijpt meer van het mysterie van die voedingsbodem. Dat neemt niet weg dat het schaamrood je naar de kaken vliegt: zoveel zeggingskracht en rijkdom, zo weinig op waarde geschat.
Dat Jan Cremer het verdomde om verder met Enschede in zee te gaan en het nooit van een nieuw museum kwam, lag echt niet alleen aan de eigenzinnigheid van Cremer zelf.
Aan die kunstenaars heeft het niet gelegen. Met name de latere avant-gardisten uit deze hoek van het land maakten werk op het scherpst van de snede. Rauw, onaangepast, losgezongen van de heersende kunstopvattingen van hun tijd. Juist omdat Twente in een uithoek lag, relatief ver weg van de gevestigde artistieke orde in de rest van het land.
In de jaren 80, 90 en 00 bonkten zij op de zware deuren van Rijksmuseum Twenthe. Die gingen pas open onder het directeurschap van Arnoud Odding, dat in 2012 begon.
Aan de expositie die nu is ingericht, ligt het ook niet. Die is… een plaatje. Terechte trots, maar het is ook greutsheid in retrospectief.
De tentoonstelling ruimt een centrale plaats in voor de Academie voor Kunst en Industrie, de AKI. Die begint als een brave vakopleiding, gericht op ambacht en ontwerp voor de textielindustrie. Maar vanaf het begin van de jaren 60, onder directeur Joop Hardy, ontwikkelt de AKI zich tot de vrijplaats voor experiment waaraan de titel van deze expositie refereert.
Lees verder onder de afbeelding.
Een anarchistisch en rebels bolwerk van creativiteit, waar geen schoolse wetten gelden. Niks tentamens, diploma’s, afgebakende opleidingsrichtingen, schooltijden of hiërarchie. De academie is een tuin van Plato, waar iedereen naar believen en op zijn eigen tijd in rond kan dwalen om zelf ontdekkingen te doen. Aankomst, verblijfsduur en vertrek naar keuze.
Er volgen iets meer dan vier decennia van kunstzinnig experiment. En een handjevol generaties avant-gardisten met een heel eigen handtekening. Een heel aantal van hen - Hans Ebeling Koning, Uwe Poth, Eef Visser, Kees de Groot bijvoorbeeld - vestigt een naam in het Nederland van die tijd en ver daarbuiten.
De Groot (69) is misschien wel de meest bekende uit dat rijtje, zeker bij een breder regionaal publiek. Dat is te danken aan Gogbot, het tech-art-festival dat sinds 2004 elk jaar de Enschedese binnenstad binnenstebuiten keert. Met snoeiharde techno, extravagante performances en meestal wel een schandaaltje.
Tegelijk laat die twintigjarige Gogbot-geschiedenis ook zien dat je Enschede of Twente moeilijk kunt beschouwen als het aards paradijs voor avant-gardisten. De gemiddelde Tukker liep er het liefst met een boog omheen. Om nog maar te zwijgen van omarmen of er iets meer in zien dan een feestje voor losgeslagen alternatievelingen.
Dat begint pas de laatste jaren een beetje te kantelen: Gogbot trekt inmiddels ook uit de stad aardig wat jong volk dat zich wel aangetrokken voelt tot het provocatieve karakter van dat festival.
Toegegeven: die Twentse experimentele kunstscene kwam niet uit de lucht vallen en is niet alleen de verdienste van de AKI. Al kort na de Tweede Wereldoorlog ontstaat er in de regio een groeiende groep kunstenaars die zich losmaakt van de heersende kunstmoraal en een eigen koers vond. Dat gebeurt niet alleen in Twente, maar die Tukkers ontwikkelen wel een eigen identiteit. Onder meer door dat betrekkelijke isolement, maar ook door de oprichting van een Twents collectief: De Nieuwe Groep.
Rijksmuseum Twenthe kocht in de loop der jaren werken aan van kunstenaars uit die beweging. Denk aan schilders als Theo Wolvecamp (CoBra), Riemko Holtrop, Jan Broeze en Ben Akkerman. Die completeren ‘Enschede. Vrijplaats voor experiment’.
In veel van die oudere werken schemert nostalgie of onderkoelde Twentse humor. Het werk van de latere Twentse avant-gardisten zoals De Groot was provocatief, scherp en maatschappij-kritisch. Mooi voorbeeld daarvan is ‘Van Agt Casanova’, de eerste en enige single van punkartiest en AKI-alumnus Paul Hajenius, alias Paul Tornado. Een bijtend spotlied op CDA-minister-president Dries van Agt, die een verbod uitvaardigde op pornotheaters met meer dan vijftig zitplaatsen.
Het schijfje ligt in een van de twee lange rijen vitrines met een overzicht van wat de Enschedese School (bijna letterlijk: de AKI) aan experimenteels heeft voortgebracht.
Misschien is het tekenend dat Rijksmuseum Twenthe heel recent een werk van De Groot aankocht: Mauhro’s Wijk, een videokunstwerk uit de jaren 80. Kleurrijke, vervormde beelden van Neptunes. Romeinen en schone deernes in witte gewaden. Marcherende meisjes van de Bund Junger Mädel, hakenkruisen tijdens een massa-bijeenkomst in Neurenberg. En een mens zonder hoofd dat met opgeheven armen door de ruimte zweeft.
Macht is een raar ding dat je moet wantrouwen. Voor je het weet heb je je eraan overgegeven en heeft het je de kop gekost. “Je moet het wel in die tijd zien”, zegt De Groot bij de opening. “Een beetje klooien met videorecorders en knopjes.”
Lees verder onder de afbeelding.
De videorecorder bestond net. Aan de AKI ging een groepje jonge creatievelingen ermee aan de haal, kinderen van een tijd die getekend werd door de bom, zure regen, werkloosheid, woningnood en krakersrellen.
Of De Groot's opvolgers - de aankomende Enschedese kunstenaars van nu - de ruimte gaan nemen en krijgen om zo’n maatschappelijke stem te ontwikkelen, is de vraag. Die rebelse, anarchistische AKI van toen is weer een brave academie geworden, die netjes koerst binnen de betonning die voor alle hbo-opleidingen is uitgezet. Dat is Europees zo geregeld.
Maar of dat leidt tot kunstenaars die de heilige huisjes van deze tijd herkennen en op het scherpst van de snede kunnen werken? Mocht dat zo zijn, dan is het toch te hopen dat Enschede zich wat sneller iets aan hen gelegen laat liggen. En niet pas na hun AOW, zoals De Groot.