Twee schamele jaren. Meer waren een hypermoderne fosfaatfabriek in Ootmarsum niet gegund. Hoe de Eerste Wereldoorlog zowel het begin als het rappe einde inluidde van een veelbelovende Twentse kunstmestproductie.
Oorlogen hebben er een handje van: aanvoerlijnen van geld en goederen worden afgesneden, omgeleid of ergens anders opnieuw aangelegd. Dat geldt ook voor de Eerste Wereldoorlog, die uitbrak in 1914. Nederland bleef neutraal, maar de wereldhandel lag grondig overhoop. Dat leidde in Twente tot productieproblemen, maar ook tot kansen.
Over dat laatste gaat dit verhaal. Een kunstmestverhaal. Lange tijd hadden boeren hun akkers bemest met koeiestront of uit Zuid Amerika ingevoerde guano, maar dat veranderde na de uitvinding van kunstmest. Een Duitse vinding uit 1850, die rond 1905 leidde tot serieuze productie van dat spul in fabrieken. Mooi spul, goedkoop, makkelijk in het gebruik en stankvrij.
Maar - je raadt het al - die Grote Oorlog gooide roet in het eten. Einde kunstmesthandel. Een probleem, want veel boeren hadden hun productie ingericht op die nieuwe bemester. De Nederlandse regering liet onderzoek doen: waar in het land zat fosfor in de bodem? Kunstmest bestaat voor het overgrote deel uit fosfor.
In Twente werd wit goud aangeboord. Vooral in de omgeving van Ootmarsum lag een massa fosfor min of meer voor het oprapen. De Twentse zand- en kleibodem zat vol fosforietknollen, overblijfselen uit de tijd dat Tukkerland een ondiepe zee was. Kwestie van afgraven, knollen zeven, malen en voilà: de wereld ligt aan je voeten.
Lees verder onder de afbeelding.
De firma Van Vilsteren en Schoemaker zag er een meer dan dik belegde boterham in en opende een hypermoderne fosfaatfabriek. Bijna volautomatisch. Lopende bandwerk. Productie: tot 6000 kilo ‘fosforietmeel’ per uur.
Twente was ooit kustgebied, grenzend aan een ondiepe zee, zo’n 5 tot 15 miljoen jaar geleden. Beekjes en riviertjes die van land naar het water stroomden, voerden mineralen mee. Waaronder fosfor. Fosfor heeft de neiging om zich te binden aan organisch materiaal, een beetje zoals een steentje in een oester parelmoer aantrekt. In essentie is dat hoe fosforknollen zijn ontstaan.
Toen die zee zich terugtrok, bleven die knollen achter. Ingepakt in lagen modder, klei en zand. Het is om die reden dat je in deze streken nog altijd bodemlagen vindt met fosforknollen. Zoals op de Kuipersberg bij Ootmarsum, vlakbij de plek waar twee jaar lang een fosforfabriek kunstmest produceerde.
Kanttekening: het afgraven van de velden waar die knollen in de grond zaten, was handwerk. Zwaar handwerk. Twee ploegen van honderd man - tweehonderd in totaal - werkten zich letterlijk de blubber. Klei afgraven, met een schop, karren op het smalspoor vullen en naar de fabriek duwen. Was die afstand langer dan een half uur, dan werden paarden ingezet.
Lees verder onder de afbeelding.
Dat handwerk was geen lolletje. Maar dat was van ondergeschikt belang: arbeiders arbeiden, daar doe je weinig aan. In april 1919 opende de fabriek aan de Oldenzaalsestraat. Met de belofte aan de bevolking dat de vrachtwagens die kunstmest naar afnemers vervoerden binnen de bebouwde kom niet harder zouden rijden dan 5 kilometer per uur. Om gevreesde overlast te voorkomen. De toekomst lonkte.
Maar die oorlog had nog een ander effect: Nederland was sterk afhankelijk van andere landen voor staal. De handel viel stil. Dat noopte de Hollanders om als de sodemieter zelf staalproductie op poten te zetten. Dat lukte. In IJmuiden werden rond dezelfde tijd hoogovens uit de grond gestampt. Gestookt met steenkool. Met als afvalproduct… fosfaat.
Lees verder onder de afbeelding.
Die hoogovenslakken met fosfaat waren een stuk makkelijker te oogsten dan fosfaatknollen uit de Twentse bodem. Je hoefde ze alleen maar uit de ovens te scheppen. De hagelnieuwe fabriek van Van Vilsteren en Schoemaker was al snel niet meer rendabel en sloot de poorten in mei 1921.
Iets vergelijkbaars gebeurde overigens met katoen. Ook dat werd voor de Eerste Wereldoorlog geïmporteerd, hoofdzakelijk vanuit de katoenplantages in de zuidelijke staten van Amerika. Met het uitbreken van de oorlog kwam daar een eind aan en moest Nederland op zoek naar een alternatief. Dat werd gevonden in de koloniën - of: de wingewesten - vooral die in het Caribisch gebied.
De Twentse textielindustrie was booming aan het begin van de vorige eeuw, maar geheid ter ziele gegaan als er niet in rap tempo plantages waren aangelegd op Sint Eustatius. Die draaiden overigens op slavenarbeid, net als in Amerika. De schoorstenen in Twente bleven machtige zwarte wolken braken. Op eentje na: die van de kunstmestfabriek in Ootmarsum.
Het fabriekspand is er nog, nu ingericht als reclamebureau. In een hoekje, bij de parkeerplaats, staan nog altijd twee kiepkarren op een stukje smalspoor.
Lees verder onder de afbeelding.
Elke week lichten collectiebeheerder Edwin Plokker en 1Twente-verslaggever Ernst Bergboer een object uit het depot van de Enschedese MuseumFabriek. Dat depot is een verhalen-kabinet: al die objecten vertellen stukjes Twentse geschiedenis - oeroud èn kakelvers. Meer zien en lezen? In het dossier op de website van 1Twente vind je alle afleveringen die tot nu toe verschenen zijn.