Verkeer
Stuur appje
Zoek

Landgoederen, fabrikantenvilla’s, stadsparken, de Enschedese synagoge en het Twentse slavernijverleden

Griselda Visser-Molemans
Beeld: Ernst Bergboer

Denk je textiel, dan denk je katoen. Denk je textielindustrie en de gouden eeuw van Twente, dan kan het bijna niet anders of je denkt: katoenplantages. In Amerika, denk je dan. Klopt. Maar ook in Suriname, op Sint Eustatius en in Nederlands-Indië. In de periode waarin onze regio zich razendsnel ontwikkelde tot een economische grootmacht. Met aan de basis spotgoedkope en gedwongen arbeid. Niet alleen in de fabrieken hier maar ook overzee.

Griselda Visser-Molemans deed en doet onderzoek naar die koloniale geschiedenis. Op het kruispunt van vier belangrijke ontwikkelingen, die nauw met elkaar verweven zijn: de industriële revolutie, de opkomst van de textielindustrie, de Nederlandse koloniale geschiedenis en onze slavernijgeschiedenis.

De Berg spreekt… Griselda Visser-Molemans

In deze aflevering van De Berg spreekt… vertelt Visser er uitgebreid over. En er is geen ontkomen aan: Twente plukte haar welvaartsvruchten op het snijvlak van die vier ontwikkelingen: op katoenplantages, over de ruggen van tot slaaf gemaakten.

Visser draagt die verhalen met zich mee. Haar geschiedenis laat zien hoe gelaagd en complex persoonlijke historie kan zijn. En hoe lastig het is om een algemeen oordeel te vellen over hoe de nazaten van wie het destijds aanging daarmee omgaan.

West en oost (en een beetje zuid)

Moeder was van Indisch-Molukse afkomst, achterkleindochter van een Afrikaanse KNIL-militair, afkomstig uit Burkina Faso. Met Molemans als achternaam, gekregen van de Nederlandse legerleiding in Indië. Zij vertegenwoordigt de Nederlandse gebiedsdelen in ‘de oost’. Maar ook het veel minder bekende verhaal van West-Afrikanen die in de negentiende eeuw werden gerekruteerd om dienst te doen in het Koninklijke Nederlandse Indische Leger. Dat gaat om precies de periode waarover we het hier hebben.

Dat waren er zo’n drieduizend. Deels vrijwillig, maar voor een goed deel gekocht op de slavenmarkt in de buurt van een Nederlandse vestiging in Elmina, aan wat destijds de Goudkust heette. Nu ligt het in Ghana.

Vader werd op Curaçao geboren, afkomstig van een Surinaams-Duitse familie. Hij vertegenwoordigt de gebiedsdelen in ‘de west’. Nadat de Amerikaanse burgeroorlog uitbrak en de katoen uit de zuidelijke staten de wereldmarkt niet meer bereikte, werden daar massaal plantages ingericht. Met Nederlandse plantagehouders.

Het werd de redding voor de Nederlandse textielindustrie. Waar in Engeland textielfabrieken en toeleveranciers bij bosjes omvielen, verrees in Enschede de ene fabriekspijp na de andere.

Stoom, strijd en de VOC

Die ontwikkeling van de Twentse textielindustrie ging hand-in-hand met de industriële revolutie: in de eerste fabrieken waar grootschalig werd geproduceerd stonden weefgetouwen. Twents textiel werd wereldhandel, net als katoen. Aanjager van die ontwikkeling was de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die je mag beschouwen als de opvolger van de VOC. Een mega-handelsbedrijf met de Staat, de Oranjes en een handvol regenten als aandeelhouders.

Lees verder onder de afbeelding.


  • Boeleleng drie slavinnen sepangan van de radja van boeleleng 1865 i van kinsbergen lu jpg
    Slaafgemaakten in Nederlands-Indië in 1865, na de afschaffing van de slavernij daar.
    Beeld: Collectie Wereldmuseum (v/h Tropenmuseum), part of the National Museum of World Cultures
  • Boeleleng lijfeigene i van kinsbergen lu
    Slaafgemaakten in Nederlands-Indië in 1865, na de afschaffing van de slavernij daar.
    Beeld: Collectie Wereldmuseum (v/h Tropenmuseum), part of the National Museum of World Cultures

Daar zat een strategie achter. De VOC was niet meer, de Franse tijd was voorbij, maar de staatskas en de schatkist van de Oranjes waren zo goed als leeg. Nederland had geen nagel om haar blanke kont te krabben, behalve de oude koloniën. Die hadden ooit goud geld opgebracht, dat moest toch opnieuw kunnen.

De Nederlandsche Handel-Maatschappij

Het was de Nederlandsche Handel-Maatschappij die, met de Hollandse neus voor zakelijkheid, uitpluiste wat geld opbracht en bepaalde wat er in die koloniën verbouwd moest worden. Het was diezelfde maatschappij die de industrie aanwakkerde; daar werden de producten gemaakt waar de wereld om vroeg. Wilde een textielfabrikant uitbreiden, dan kreeg die een krediet. Iedereen pikte een graantje mee. Of graanschuren vol.

Nou ja, niet iedereen. Dat hele systeem draaide op goedkope arbeid in eigen land. En gratis arbeid daarbuiten. Tot de afschaffing van de slavernij - in 1863 in Suriname en op de Antillen, tussen 1863 en 1914 (of 1925) in Nederlands Indië. Daarna bleef het gratis arbeid of werd het spotgoedkoop. Afhankelijk van de plaatselijke situatie of de goodwill van de plantagehouder of de sultan voor wie je werkte.

icon_main_info_white_glyph

Abolitionisme in de polder

Afschaffing van slavernij was al ver voordat het zover kwam onderwerp van maatschappelijk debat. De dilemma’s en tegenstellingen waren nogal voor de hand liggend: het was enerzijds onmenselijk en onethisch, aan de andere kant de motor achter een succesvol economisch model waarmee grote belangen gemoeid waren. In Amerika leidde het tot een burgeroorlog, in Nederland tot gepolder, pragmatische maatregelen en compromissen. De koopman en de dominee moesten een oplossing vinden waar beiden mee konden leven.

Het duurde dan ook relatief lang voordat Nederland slavernij afschafte. Net als in Amerika. Beider economieën dreven er op. De andere twee Europese koloniale machten waren er veel vlotter mee. Frankrijk hield het in 1833 voor gezien, Engeland in 1848. In Nederland was het gedaan in 1860 en 1863 in respectievelijk ‘de oost’ en ‘de west’. Op papier, althans. In werkelijkheid werd het systeem in Suriname en de Antillen tot 1873 in stand gehouden, in het overgrote deel van Nederlands-Indië tot na het eerste decennium van de twintigste eeuw.

Plantagehouders werden gecompenseerd voor het verlies van hun ‘bezit; slaven waren een vorm van levende have. En ze werden verlost van de angst dat die vrije slaven de benen zouden nemen en er in no time geen handjes meer zouden zijn om het zware werk te doen.

Free, free at last! (maar nu nog even niet)

Die compensatie voor het verlies van eigendommen kwam uit de diepe zakken van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Alles bij elkaar ging dat in ‘de west’ om 12,5 miljoen gulden, een duizelingwekkend bedrag in die tijd. Verdiend door… precies: die nu (semi)vrije slaven, die er zelf geen cent wijzer van werden. Hoe cynisch wil je het hebben.

Om te voorkomen dat de nu vrije slaven zouden gaan lopen, moesten die een tienjarig arbeidscontract ondertekenen. In ruil voor hun vrijheid. Bij de oude baas. Je kunt je voorstellen wat dat in veel gevallen betekende voor arbeidsverhoudingen, arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden. Daar veranderde niet zo gek veel aan, als er al iets veranderde.

‘Oost’ was even wreed als ‘west’

Ketikoti draait om de afschaffing van de slavernij in ‘de west’ op 1 juli 1863. ‘Ketenen gebroken’ betekent het. Dat er ook in ‘de oost’ ketenen zijn gebroken, is veel minder bekend. Onterecht, stelt Visser (en met haar alle andere onderzoekers van het Nederlandse slavernijverleden). Het beeld dat er een groot verschil bestond in hoe hard die ketenen waren in ‘de oost’ en ‘de west’, klopt niet.

De slavernij in Nederlands-Indië was niets minder meedogenloos dan in Suriname en op de Antillen. De aantallen waren ook niet kleiner. Knetterharde cijfers ontbreken en er wordt nog altijd onderzoek naar gedaan, maar in ‘de west’ gaat het om 500.000 tot 600.000 slaven, in ‘de oost’ om een aantal tussen de 600.000 en 1 miljoen. De omstandigheden waren identiek.

Handelskolonie versus plantages

Dat de aandacht voor slavernij in ‘de west’ groter is, heeft meerdere redenen. De parallellen met de slavernij in de Verenigde Staten zijn veel duidelijker. Een beetje door de geografische ligging, veel meer doordat Suriname en de Antillen plantage-koloniën waren. Net als die zuidelijke staten in Amerika, die één grote plantage vormden. Martin Luther King, Malcolm X en de hele burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten hebben de wereld met de neus op de feiten gedrukt van wat dat betekende.

Lees verder onder de afbeelding.


Katoenplantage - slaven
Twente was lang afhankelijk van katoen uit de Zuidelijke Staten van Amerika. Slaafgemaakten op een katoenplantage in Georgia.
Beeld: onbekend

Nederlands-Indië was een handelskolonie. Met maar een relatief klein Nederlands bestuur op Java en Madura en verder geregeerd door lokale vorsten en sultans die flink werden beloond als zij de Nederlanders gaven wat die hebben wilden. Zuidoost-Azië kende al eeuwenlang een levendige slavenhandel. Met slavenmarkten langs eindeloze kustlijnen.

Dat wisten de Nederlandse bestuurders, maar die knepen een oogje toe. Omdat het veel opleverde, maar ook omdat zijzelf gebruikmaakten van slavendiensten. De rest van de wereld had er nauwelijks zicht op.

Daar komt bij dat de mensen die na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1948 naar Nederland kwamen, zelden nazaten van slaven waren. Bijna altijd ging dat om Nederlands-Indiërs die in overheidsdienst waren geweest. Ook die hebben verhalen meegenomen en verteld, maar niet over slavernij. Heel anders dan degenen die na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 naar Nederland kwamen.

icon_main_info_white_glyph

De Berg spreekt…

In 'De Berg spreekt…' ontmoet 1Twente-journalist Ernst Bergboer prominente en minder prominente stads- en streekgenoten die iets opmerkelijks of belangrijks te melden hebben. Nieuwe afleveringen verschijnen onregelmatig, maar je vindt ze allemaal in je favoriete podcastapp en op de website van 1Twente.

Heb je een nieuwstip of nieuwe informatie?
Tip onze redactie via mail of telefoon. Deze vind je op onze contactpagina.