Verkeer
Stuur appje
Zoek
Edwin Plokker - KNTU - brochure - textiel

In depot: de ondergang van de textielindustrie was een natuurramp in slow-motion

De Enschedese en Twentse textielindustrie, een dikke eeuw een van de belangrijkste peilers onder de hele Nederlandse economie, ging bijna even snel ten onder als ze opkwam. Stuiptrekkend. Want de sector deed er alles aan om de neergang te voorkomen, maar die was even onafwendbaar als een natuurramp.

Die Twentse textielindustrie leverde in 1910 bijna een kwart van het Bruto Nationaal Product. De metaalsector was goed voor een kwart, waarbij het Hengelose Stork een enorme speler was. Een kwart eeuw later was metaal goed voor 35 procent, maar had de textielindustrie met tien procent al een enorme jas uitgedaan.

Een korte oprisping

Daar zat de Tweede Wereldoorlog tussen. Die had, na afloop, voor een opleving gezorgd; de behoefte aan textiel was groot, na die magere jaren. Fabrieken breidden uit, bestelden de modernste machines en produceerden erop los. Voor even. Want het einde van die oorlog had nog een ander, tweeledig effect.

Nederlands Indië werd onafhankelijk en viel weg als afzetmarkt èn daar kwam een eigen productie op. Niet alleen voor de interne markt. En de lonen lagen er een stuk lager. Kortom: de Twentse textielindustrie liep op haar laatste benen. Maar er was veel aan gelegen en fabrikanten deden er alles aan om het tij toch nog te keren, als in een doodsstrijd waarvan je het einde allang kunt voorspellen.

Fusies en conglomeraten

Belangrijkste factor in die plotselinge concurrentiestrijd waren de loonprijzen; die waren als een strop om de nek van Twentse textielfabrieken, die steeds strakker werd aangesnoerd. Als remedie ontstonden er conglomeraten, die arbeiders bovenop een zo karige mogelijk loon aandelen uitkeerde. Een medicijn dat al snel was uitgewerkt; de Nederlandse regering had al forse loonsverhogingen aangekondigd.

Edwin Plokker - KNTU - brochure - textiel
Edwin Plokker met de brochure van de KNTU, die begin jaren 70 vergeefs in de etalage wordt gezet.
Beeld: Ernst Bergboer

Fusies waren een andere poging om efficiënter te produceren, de hoop dat schaalvergroting kosten in de hand houdt. Een vergeefse hoop. Uit krantenberichten uit die tijd lees je dat terug. In 1964: Van Heek & Co, de grootste van allemaal, fuseert met een hele zwik bedrijven. 1965: de eerste ontslagen vallen. 1967: de poorten sluiten definitief.

De KNTU in de etalage

In 1972 wordt de Koninklijke Nederlandse Textiel-Unie - de grootste van de ontstane conglomeraten - in de etalage gezet. Met een luxe folder vol prachtig zeventigerjaren-design, gericht op buitenlandse investeerders. Het is de laatste oprisping van de eens zo pronte textielregio; een jaar later is de hele boel failliet. Alleen De Bamshoeve in Enschede, die wordt als staatsbedrijf tot 1991 in leven gehouden.

Massa-ontslagen

Twente verliest zo’n dertigduizend arbeidsplaatsen, waarvan de meeste in Enschede. Een paar later verdwijnen er 75.000 banen in Limburg, waar de mijnen sluiten. In 1980 glijdt Nederland weg in een diepe recessie, de grootste sinds de jaren 30. Die had meer oorzaken, maar de ondergang van die twee industrieregio’s met een monocultuur verdiepte die aanzienlijk.

Je zou kunnen zeggen dat in elk geval Enschede en Almelo die klap nog altijd niet te boven zijn gekomen. Beide steden doen hun best, maar ze kleven hardnekkig onderaan de sociaal-economische lijstjes van Nederlandse steden. Dat is voor een belangrijk deel de echo van wat er gebeurde in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw: een drama in slow-motion.

Heb je een nieuwstip of nieuwe informatie?
Tip onze redactie via mail of telefoon. Deze vind je op onze contactpagina.