Vuurwerkramp Enschede

Nieuwe aangifte in Vuurwerkramp: knetterharde aanwijzingen voor motief brandstichting en doofpot

Oud-eigenaar van S.E. Fireworks Rudi Bakker heeft aangifte gedaan van onder meer het stichten van de brand bij zijn bedrijf die de inleiding vormde voor de Enschedese Vuurwerkramp. Er was een meervoudig, vooral financieel, motief voor brandstichting. Meer: de gemeente Enschede heeft aan dat motief bijgedragen met een opvallend bod op de dag voorafgaand aan de ramp. Aanwijzingen voor zowel dat motief als die rol van de gemeente zijn na de ramp geheimgehouden of genegeerd.

Aangifte Rudi Bakker Rudi Bakker
Oud-eigenaar van S.E. Fireworks doet aangifte tegen o.m. zijn voorganger, de gemeente Enschede en twee officieren van justitie © Rudi Bakker

Dat blijkt uit een analyse van de ruim tweehonderd pagina’s tellende aangifte en de onderliggende stapel bewijsstukken van twee vuisten dik. De in dit artikel beschreven gebeurtenissen zijn een weergave van dat aan de aangifte gehechte feitenrelaas. De genoemde personen zijn al eerder in publicaties over de Vuurwerkramp in de openbaarheid gebracht. Dit zijn de belangrijkste feiten.

De hoofdrolspelers

Dit verhaal kent twee hoofdrolspelers. De eerste is Harm Smallenbroek, eigenaar van S.E. Fireworks voordat Bakker met zijn vrouw en medevennoten Willy Pater en Marion Schippers het bedrijf van hem overnamen. De tweede is Boudewijn Rip, als ambtenaar van de gemeente Enschede verantwoordelijk voor de onderhandelingen over de aankoop van grond van Smallenbroek.

Verkoop bedrijf en grond

Smallenbroek verkocht zijn bedrijf nadat de gemeente een voorkeursrecht op de grond eronder had gevestigd. Maar zonder dat de kopers van zijn bedrijf dat wisten. Met hen sloot hij een huurcontract af voor het gebruik van de grond.

Na de verkoop van een bedrijf dat binnen afzienbare tijd weg zou moeten, voerde hij onderhandelingen met de gemeente Enschede over de verkoop van zijn grond. Ook daarvan wisten de nieuwe eigenaren niets. Daarbij was hij volop bezig de vuurwerkhandel die hij altijd had gehad voort te zetten. Ondanks een concurrentiebeding dat hij met de v.o.f. S.E. Fireworks had afgesloten.

icon_main_info_white_glyph

De financiële balans van Smallenbroek

De vestiging van voorkeursrecht op de grond onder S.E. Fireworks betekende dat het bedrijf daar binnen afzienbare tijd moest verdwijnen. Dat bracht risico’s met zich mee en die hadden effect op de waarde.

Smallenbroek deed twee dingen: hij bood zijn bedrijf te koop aan (verkocht in 1pril 1998) en startte grondonderhandelingen met de gemeente. Bij de verkoop van het bedrijf zweeg hij over zowel dat voorkeursrecht als die onderhandelingen.

Per 12 mei 2000 was dit de balans:

verkoop S.E. Fireworks: 1,2 miljoen

grondverkoop:

- 1,5 miljoen (grond vrij van huur), of

- 965.000 gulden (grond met huurders).

In totaal: 2,7 òf bijna 1,17 miljoen.

Op de achtergrond speelden nog twee dingen.

Het eerste is dat Smallenbroek op 12 mei 2000 vasthield aan zijn vraagprijs van 1,25 miljoen voor de grond mèt last van huur. De gemeente had dat eerder afgeslagen, maar grondambtenaar Rip zou het opnieuw bespreken. Op maandag 15 mei zou uitsluitsel volgen.

Verder had Smallenbroek nog 6 ton uitstaan bij de nieuwe eigenaren van S.E. Fireworks. Amper een week voor die 12e mei had hij kennisgenomen van een tussenvonnis in een rechtszaak die hijzelf had aangespannen; de kans dat hij nog aanspraak kon maken op die zes ton was heel klein.

Ruim een jaar na de ramp - op 7 augustus 2001 - deed Smallenbroek de grond aan de Enschedese Tollenstraat over aan de gemeente voor ruim 1,3 miljoen gulden, inclusief verzekeringspenningen.

Een bod van 1,5 miljoen op de dag voor de ramp

Rip deed Smallenbroek op 12 mei 2000, de dag voor de ramp, het bod waarom deze al in een veel eerder stadium had gevraagd: 1,5 miljoen gulden. Dat bod gold voor de grond zonder dat daarop nog huurders zaten. Smallenbroek wilde dat bedrag om het verkochte vuurwerkbedrijf elders te kunnen reconstrueren, zo blijkt uit verklaringen van onder meer gemeenteambtenaar Rip.

De (on)mogelijkheden om huurders weg te krijgen

Dat bod van 12 mei 2000 werd gedaan in de wetenschap dat Smallenbroek en Bakker, c.q. de eigenaren van S.E. Fireworks en de huurders van de grond onder dat bedrijf, in een juridische strijd verwikkeld waren. Rip wist bovendien dat er geen legale mogelijkheden waren om die huurders binnen afzienbare tijd van de grond te krijgen. Sterker: de kans was groot dat die mogelijkheid er pas in 2007 zou komen.

Tot 27 april 2000 heeft Smallenbroek nog een concurrentiebeding t.o.v. S.E. Fireworks V.O.F. De huurovereenkomst loopt tot 31 december 2002 en daarna van jaar tot jaar. Denk looptijd is door huurder ingebracht als wijziging op een eerste concept huurovereenkomst. Ik heb kopie huurovereenkomst meegekregen. Rene schat uiterste ontruimingsdatum op 2007. Ik zal berekening opstellen.
(Notitie van Boudewijn Rip, 3 december 1999)

Het komt erop neer dat de gronddeal tussen de gemeente en Smallenbroek op de dag voor de ramp op een haar na was gevild. Vraag was alleen of die zou plaatsvinden met of zonder huurders. Zowel Smallenbroek als de gemeente wilden het liefst dat laatste. Het verschil in de koopsom tussen de beide mogelijkheden bedroeg, na dat bod op 12 mei 2000, ruim een half miljoen gulden.

Een verzwegen tussenvonnis

Brandpunt van het feitenrelaas onder de aangifte van Bakker zijn twee documenten: een notitie van Rip over het bewuste bod van 12 mei 2000 en een tussenvonnis in een zaak die Smallenbroek had aangespannen tegen Bakker en consorten.

In chronologische volgorde geplaatst, was er eerst dat tussenvonnis. Het dateert van 26 april 2000, minder dan drie weken voor de ramp. Smallenbroek neemt er kennis van op 4 mei van dat jaar. Bakker weet pas 21 jaar later van het bestaan ervan.

Strop van zes ton (of meer)

In dat tussenvonnis spreekt de rechter zich uit in een bodemprocedure die Smallenbroek tegen S.E. Fireworks had aangespannen. Inzet: zeshonderdduizend gulden, het bedrag dat Smallenbroek bij verkoop aan S.E. Fireworks had geleend. In het kort kwam het erop neer dat Smallenbroek hoogstwaarschijnlijk naar de geëiste zes ton kon fluiten.

Het vonnis bevat bovendien een overzicht van schendingen van het concurrentiebeding dat Smallenbroek met het verkochte S.E. Fireworks had gesloten. Inclusief een aantal faxen waaruit blijkt dat hij al voor verkoop het plan had om op eigen houtje in vuurwerk te blijven handelen. Daar staan boetes op: tienduizend gulden voor iedere overtreding. Anders gezegd: de procedure dreigt zeer nadelig voor hem uit te pakken.

Even vooraf: De dag voor de ramp heb ik met van Hoogmoed [zaakwaarnemer van Harm SMALLENBROEK] gesproken. In discussie was toen een vraagprijs van f 1.250.000,— levering onder last van huur. Hiermee had ik problemen omdat wij niet met de huurders wilden blijven zitten. Ik heb toen geprobeerd om met een bod van f 1.500.000,-- de zaak vrij van huur te krijgen. Hiervan wilde hij niets weten. Ik heb toen respijt gevraagd om die maandag daarop de 15e antwoord te mogen geven op hun vraagprijs onder last van huur. De ramp heeft toen in het weekend alles anders gemaakt.
(Notitie van Boudewijn Rip, 9 juni 2000)

De notitie van Rip dateert van 9 juni 2000, maar gaat over de dag voor die rampzalige 13d mei en het bod van 1,5 miljoen. Hij komt pas vijftien jaar na de ramp boven water.

Dreigementen

Na ontvangst van dat tussenvonnis - op 4 mei 2000 - zou Smallenbroek stevige dreigementen hebben geuit aan het adres van Bakker en zijn gezin. Dat blijkt uit verklaringen van een aantal gedeelde kennissen van beide vuurwerkhandelaren, opgetekend tijdens het onderzoek naar de ramp.

Smallenbroek zou hebben gedreigd dat zij “Bakker helemaal kapot zullen maken”, dat zij “de kinderen van Bakker zullen ontvoeren”, dat zij “het huis van de familie Bakker in brand zullen steken” en dat dit alles “jammer zou zijn voor de kinderen van Bakker, maar dat zij het wel zouden doen."
(Uit verklaringen van gedeelde kennissen van Bakker en Smallenbroek, bevestigd in 2020)

Al deze kennissen hebben vorig jaar nog bevestigd dat Smallenbroek deze uitlatingen destijds deed.

Onjuiste en onvolledige verklaringen

Het tussenvonnis en de notitie van Rip zijn destijds nooit openbaar gemaakt of meegenomen in onderzoek of rechtszaken. Smallenbroek stelt na de ramp dat hij de bewuste bodemprocedure heeft gewonnen en geen enkel financieel voordeel uit de ramp heeft gehaald. Integendeel, hij is er bij ingeschoten, zo verklaart hij.

Oosting

Rip legt na de ramp diverse verklaringen af bij zowel het Tolteam als de commissie Oosting, de belangrijkste onderzoekscommissie naar de Vuurwerkramp. In die verklaringen schetst hij een helder beeld van zijn grondonderhandelingen met Smallenbroek, maar ook van diens plannen ten aanzien van een nieuw vuurwerkbedrijf. Die verklaringen zijn niet opgenomen in het eindrapport van de commissie.

De heer Smallenbroek wilde weer zelf een bedrijf opzetten samen met zijn zoon. Hij wilde daarom dat wij bij de berekening van de schadeloosstelling uit zouden gaan van reconstructie. Dit houdt in dat hij een volledige schadeloosstelling wilde. Dit zou op een hoger bedrag neerkomen dan de voorgestelde 1,25 miljoen. Het hogere bedrag waarover de notitie spreekt, slaat op het bedrag voor een volledige reconstructie van het bedrijf.
(Uit de verklaring van Rip voor de commissie Oosting - niet in het eindrapport verschenen)

Bakker heeft ook aangifte gedaan tegen de zoon van Smallenbroek, die onjuiste verklaringen zou hebben afgelegd.

‘Project Smallenbroek’: veel niet onderzocht, afgesloten en nooit meer opgepakt

De politie sluit op 27 september 2000, na 12 dagen onderzoek, het dossier Smallenbroek. De conclusie: er zijn geen aanwijzingen gevonden voor mogelijke betrokkenheid bij wat er op 13 mei 2000 is gebeurd. Uit de processen-verbaal over het 'Project Smallenbroek’ blijkt dat er veel niet of nauwelijks is onderzocht.

Zo is er niet gekeken naar de juridische conflicten tussen Smallenbroek en S.E. Fireworks. De processtukken zijn nooit opgevraagd, zo blijkt uit een verklaring van de griffie van de Almelose rechtbank eerder dit jaar.

Overtredingen van het concurrentiebeding, eigenstandige voortzetting van vuurwerkhandel, een dreigend verlies van zes ton, de dreigementen na kennisneming van het tussenvonnis daarover: het is buiten beschouwing gebleven.

Rudi Bakker  Ernst Bergboer
Rudi Bakker in een uitzending van 1Twente Vandaag © Ernst Bergboer

Na de ramp leggen tientallen mensen verklaringen af over wat Smallenbroek zou hebben gezegd en gedaan. Zo komt er op 12 oktober 2000 een anonieme tip binnen: Smallenbroek zou iemand vijfduizend gulden hebben betaald voor brandstichting bij S.E. Fireworks. De tip wordt afgedaan als ‘GTVO’, politiejargon voor ‘geen termen voor onderzoek’.

Het ‘project Smallenbroek’ is nooit opnieuw opgepakt. Niet na de verklaringen van Rip bij Oosting en het Tolteam. Niet na de vrijspraak van André de Vries, de man die aanvankelijk werd veroordeeld en later vrijgesproken voor het stichten van brand bij S.E. Fireworks.

Niet alleen Bakker spreekt zich er over uit dat het onderzoek naar een mogelijk motief van Smallenbroek zo oppervlakkig was en nooit is heropend. Ook oud-rechercheur Jan Paalman, onderdeel van het Tolteam, verwondert zich daar al jaren over. En ook Paul van Buitenen trekt erover aan de bel in zijn review van 13 mei 2020.

Andere verhullingen: ernstige verdenkingen

De documentatie bij de recente aangifte van Bakker bevat nog een paar verhullingen, die voor rekening komen van officieren van justitie Herman Stam en Arie De Muij. Beiden ondersteunden het strafrechtelijk onderzoek dat het Tolteam deed.

Op 5 januari 2001 ondertekent Stam een procesverbaal - ‘gezien en akkoord’ - met de motivatie voor het plaatsen van taps in de woningen van drie medewerkers van S.E. Fireworks. Het Tolteams heeft ernstige vermoedens dat zij meer weten over het ontstaan van de brand tijdens de rampdag. Zo ernstig, dat men een zwaar onderzoeksmiddel wil inzetten: inbreken in hun woningen en microfoontjes met een zendertje plaatsen om daar af te kunnen luisteren.

“…de veroorzaker van de eerste brand deel uitmaakt van een groepje werknemers van het bedrijf danwel dat binnen een groepje werknemers van het bedrijf wetenschap bestaat over het ontstaan van de brand.”
“Op grond van het vorenstaande het vermoeden bestaat dat Kloppenborg, Willy Pater, André de Jong tenminste wetenschap hebben van het ontstaan van de brand.” en dat “Niet is uitgesloten dat één of meerdere van hen de brand veroorzaakt hebben.”

“De mogelijkheid dat “gecontroleerd” afsteken van vuurwerk uit de hand is gelopen, is ruimschoots aanwezig. Gezien de omstandigheden waaronder en de plaats waarop dat dan gebeurd is, en door de toepassing van de leer van het voorwaardelijk opzet, is ook dan sprake van verdenking van opzettelijke brandstichting.”

Dat gebeurt ook, maar het procesverbaal waarin die ernstige verdenking wordt uiteengezet die dat zware onderzoeksmiddel rechtvaardigt, wordt geheimgehouden en niet toegevoegd aan het dossier in de strafzaak tegen Bakker.

Bakker heeft ook aangifte gedaan tegen de leden van dit groepje werknemers. Onder meer voor brandstichting en het afleggen van valse verklaringen.

Verzwegen ‘vreemd gat’ in gemeentelijk dossier

Op 21 juni 2001, tijdens die strafzaak, verzoekt Bakker’s verdediging om de gemeentelijke dossiers over de overgang van S.E. Fireworks van Smallenbroek naar zijn cliënt. Stam en De Muij verklaren dat die ‘tijdens het onderzoek niet boven water zijn gekomen’. Wat zij niet vertellen is dat het Tolteam na ontvangst van die gemeentelijke dossiers vermoedt dat die vooraf zijn geschoond.

Met OvJ de Muij, Stam, Jos Lummen, Jan Quinten informeel het vergunningendossier van S.E. Fireworks van de gemeente Enschede besproken. De Muij en Stam waren met name geïnteresseerd in de redenen waarom wij vermoeden dat het hier een ‘geschoond’ dossier betreft. We hebben hun hiervoor drie punten aangegeven:
1. Het ontbreken van bijna alle correspondentie over de overgang van Smallenbroek naar Bakker en Pater, hier zit een vreemd ‘gat’ in het dossier,
2. De verklaring van Rob ten Voorde dat bij het ophalen van het dossier bij de gemeente is verteld dat de politie het dossier pas mee zou krijgen als alle persoonlijke notities hier uit zouden zijn gehaald. Dit komt overeen met onze eigen waarneming dat wij in feite het gehele handhavingsdossier missen.
3. Het ontbreken van vergaderverslagen en gespreksnotities e.d. over de verplaatsing van het bedrijf.

Dat vermoeden blijkt uit een journaalmutatie van het Tolteam van 29 mei 2000. Op die dag vindt er een informeel gesprek plaats met de beide officieren van justitie, waarin die vermoedens worden besproken. De politie constateert ‘een vreemd gat’ in het dossier van de gemeente. Diverse stukken ontbreken. Dat gaat over vrijwel alle correspondentie over de overgang van S.E. Fireworks, het complete handhavingsdossier en documentatie van vergaderingen en gesprekken over verplaatsing van het bedrijf.

Bakker heeft ook aangifte gedaan tegen de twee politiemensen die het concluderende procesverbaal van het ‘proces Smallenbroek’ hebben opgesteld en tegen officieren van justitie Stam en De Muij.

Duizend pagina’s en meer

De hele aangifte van Bakker, inclusief onderliggende bewijsstukken, omvat ruim duizend pagina’s. Hij is opgebouwd rond honderden geheimgehouden documenten van onder andere de politie, het Openbaar Ministerie, de commissie Oosting en de gemeente Enschede. Verzameld in de loop van jaren, na talloze Wob-verzoeken en gerechtelijke procedures.

Voor dit artikel is gebruikgemaakt van die bewijsstukken, maar ook van documentatie en informatie uit eerder onderzoek. Veel van die informatie overlapt elkaar. Hier en daar duiken nieuwe stukjes van de puzzel op. Dat zijn in dit geval dat tussenvonnis uit de week voorafgaand aan de ramp, dat pas dit jaar boven water kwam, en die tot 2015 onbekende notitie van gemeenteambtenaar Rip over het bod van 1,5 miljoen op 12 mei 2000.

Dossier gesloten?

Beide documenten maken onderdeel uit van een keten van gebeurtenissen in de vier weken voorafgaand aan de vuurwerkramp. Het is die keten, in de context van wat er in de jaren ervoor afspeelde, waarin een sterk motief voor brandstichting te vinden is.

Zowel dat tussenvonnis als de notitie van Rip zijn, met nog veel meer relevante informatie, na de ramp onder water bleven. Soms aantoonbaar achtergehouden. Andere keren omdat de conclusies uit onderzoek werden bewerkt. Of omdat er nauwelijks is onderzocht, waarbij regelmatig de vraag rijst waarom niet.

Dat doet sterk denken aan een doofpot. Onder andere Van Buitenen stelde het in 1Twente Vandaag nog wat straffer: “Het ìs een doofpot.” Het is om die reden dat het dossier van de Vuurwerkramp nog altijd niet gesloten is.

Het Openbaar Ministerie en de Politie Twente geven in een reactie aan geen antwoord te kunnen en willen geven op de vragen die wij hen hebben gesteld omdat de aangifte in behandeling is.

De heer Smallenbroek heeft bij RTV-Oost verklaard dat Bakker voorafgaand aan de koop wel degelijk op de hoogte zou zijn geweest van het gevestigde voorkeursrecht op de grond en de onderhandelingen met de gemeente, en dat hij de aangifte met vertrouwen tegemoet ziet.

De gemeente Enschede heeft niet gereageerd op onze vragen.


Heb je een nieuwstip of nieuwe informatie? Tip de redactie via info@1twente.nl of bel redactie Enschede (053) 432 75 27 of redactie Hengelo (074) 256 6699.