De gemeente Hengelo steekt jaarlijks ruim 9,2 miljoen euro in kunst en cultuur. Meer dan 90 procent van dat bedrag gaat naar de culturele kernvoorzieningen: Bibliotheek Hengelo, Oyfo, Schouwburg Hengelo en Metropool. Maar wat dat geld precies oplevert voor inwoners, daar heeft de gemeente te weinig zicht op. Dat concludeerde de Rekenkamer Hengelo onlangs in een onderzoeksrapport. De gemeenteraad wil daarom duidelijkere afspraken over cultuursubsidies.
De Rekenkamer onderzocht hoe de gemeente Hengelo ervoor zorgt dat subsidies bijdragen aan de doelen in het kunst- en cultuurbeleid. Ook keek de Rekenkamer naar de rol van de gemeenteraad hierin. De onderzoekers concluderen dat de juridische en financiële basis goed is geregeld. Maar dat het vooral ontbreekt aan overzicht en regie. Subsidies worden niet altijd duidelijk gekoppeld aan de doelen die de gemeente zelf heeft gesteld.
Volgens de Rekenkamer is vaak wel duidelijk wat culturele instellingen doen, bijvoorbeeld hoeveel activiteiten zij organiseren of hoeveel bezoekers zij trekken. Minder duidelijk is wat de maatschappelijke impact daarvan is. Helpt het bijvoorbeeld tegen eenzaamheid? Bereikt het jongeren? Draagt het bij aan taalontwikkeling of deelname aan de samenleving?
Dat de grote culturele kernvoorzieningen belangrijk zijn voor een stad als Hengelo, daar zijn de meeste raadsleden het wel over eens dat bleek tijdens de politieke markt over het rekenkameronderzoek.
De SP ziet het rapport als een "eye-opener" en geeft eerlijk toe dat de raad zelf steken heeft laten vallen door in het verleden niet om evaluaties te vragen. Zij dringen aan op structurelere evaluaties in de toekomst.
D66 noemt het verontrustend dat er geen goede impactmeting was in het verleden en stellen voor om cultuur actiever te koppelen aan de innovatieve en technische ambities van Hengelo.
"Misschien kan een link gelegd kan worden met de ambitie van Hengelo om een innovatief, technisch hoogstaande stad te worden, dan kunnen we ook daar de creativiteit verder beoordelen of bevorderen," zegt fractievertegenwoordiger Elizabeth Visser.
Als het gaat om de uitkomsten van het onderzoek, dan zegt Bas van Wakeren, fractievertegenwoordiger van Pro Hengelo, dat het niet gaat om wantrouwen richting culturele instellingen, maar juist om het goed omgaan met publiek geld. “Kunst en cultuur verdienen steun, maar steun zonder scherpte is geen goed bestuur.”
Raadslid Van Wier van ANDERS! vindt de culturele organisaties van grote maatschappelijke waarde zijn. "Zij bieden kinderen en studenten een plek om te studeren, leren en zich te ontwikkelen. Helpen inwoners die moeite hebben met taal en digitale vaardigheden."
ANDERS! vindt wel dat subsidies geen doel op zich moeten zijn om organisaties in stand te houden, maar een middel voor maatschappelijke waarde.
Hengelose Burgers ziet graag dat de raad vooral stuurt op de kwaliteit van de voorzieningen. Burgerbelangen vraagt zich af of impactgericht sturing in de praktijk niet te complex wordt en hoe dit er dan uitziet.
De PVV ging echter nog verder en stelt dat organisaties zo veel mogelijk hun eigen inkomsten moeten regelen. "Als de gemeente toch besluit subsidies te verstrekken moet iedere iedere euro aantoonbaar bijdragen aan een concreet doel. Dat betekent heldere afspraken vooraf, meetbare resultaten en een kritische beoordeling achteraf. Juist op dat punt laat dit onderzoek zien dat dit onvoldoende op orde is," zegt fractievertegenwoordiger Stan de Jong.
Cultuurwethouder Benno Brand erkent dat Hengelo scherper moet sturen. Hij beloofde vóór de behandeling van de begroting 2027 met een plan van aanpak te komen. Ook wil hij subsidies beter gaan evalueren, al benadrukte hij dat daarvoor eerst duidelijke afspraken vooraf nodig zijn.
"Het onderzoek van de Rekenkamer Hengelo is een goed ijkpunt voor ons als college om te bepalen waar wij in dat traject staan. Als gemeente streven wij ernaar om tot een meer gestroomlijnde werkwijze te komen in het werken met subsidies".
In het onderzoek werd specifiek gekeken naar de bibliotheek en Oyfo, twee grote culturele instellingen. Dat riep vragen op bij CDA-raadslid Bernadette Morskieft. Die vroeg zich af waarom kleinere amateurverenigingen en instellingen niet zijn gehoord, een constatering waar ook 50Plus vragen over stelde.
"We konden heel veel kleintjes onderzoeken, maar dat was heel lastig omdat de verantwoording daar vaak heel anders is ingericht bij kleinere bedragen," was het antwoord van Rekenkamer-onderzoeker Mirjan Oude Vrielink.
"Het is dus een weloverwogen keuze geweest, ook vanuit een gebrekkige tijd aan de hoeveel energie die we in het onderzoek konden steken."