Minima in Enschede zijn al jaren beduidend beroerder af dan in omringende gemeenten. Dat blijkt uit een vergelijking van normbedragen voor de zogeheten individuele inkomenstoeslag. In 2012 zette Enschede daar het mes in, de bedragen zijn sindsdien nooit aangepast.
De bedragen voor die jaarlijkse tegemoetkoming liggen in Enschede aanzienlijk lager dan in gemeenten als Hengelo, Oldenzaal, Losser en Haaksbergen. De Enschedese gemeenteraad stemde in 2012 in met een korting van 67 procent en de bedragen zijn sindsdien niet geïndexeerd en dus hetzelfde gebleven. Werken moest lonen en inwoners moesten eerst zelf oplossingen zoeken, was de gedachte. Inkomensondersteuning door de overheid werd (fors) beperkt.
Ter vergelijking: in Hengelo ligt het normbedrag voor individuele inkomenstoeslag voor een alleenstaande op 538 euro, in Oldenzaal is dat 490 euro, Losser keert 429 euro uit en Haaskbergen 345. In Enschede gaat het om een bedrag van 114 euro. Gehuwden en ouders kunnen aanspraak maken op 162 euro, voor kinderen geldt een aanvullende toeslag (0-12 jaar: 65 euro, 12-18 jaar: 130 euro).
Lees verder onder de afbeelding.
Die bedragen van 114 en 162 euro zijn sinds 2012 onveranderd. De toeslag voor kinderen werd in 2018 ingevoerd, maar ook die is sindsdien gelijkgebleven. Nog een vergelijking: voor de korting in 2012 kregen rechthebbende alleenstaanden 345 euro toeslag (die toen nog ‘langdurigheidstoeslag’ heette).
Hengelo keert bijvoorbeeld niet alleen een aanzienlijk hoger bedrag uit, maar heeft dat ook steeds geïndexeerd. De drempel om ervoor in aanmerking te komen ligt ook lager; in Enschede moet je vijf jaar een inkomen op bijstandsniveau hebben, in Hengelo is dat drie jaar.
Gemeenten zijn verplicht een individuele inkomenstoeslag te verstrekken aan inwoners die langdurig van een minimum leven. Hoe hoog die is en welke groepen minima er wanneer voor in aanmerking komen, kunnen zij sinds 2009 zelf bepalen. Voor die tijd bepaalde het Rijk de normbedragen. Sindsdien is dat aan de lokale politiek.
Tijdens de debatten over de begroting voor 2021 hebben de PVV en EnschedeAnders een poging gewaagd om de inkomenstoeslag te verhogen naar het landelijk gemiddelde (destijds 466 euro per jaar). En om de termijn van vijf jaar een inkomen op of onder het minimum te verkorten naar drie. Dat waren ook suggesties die onderzoeksbureau KWIZ in 2018 deed in een evaluatie van het Enschedese armoedebeleid.
Lees verder onder de afbeelding.
Het voorstel van de PVV en EA sneuvelde; BurgerBelangen, CDA, ChristenUnie, D66, PvdA en VVD waren tegen. De gemeente had het geld niet en er moest een prikkel blijven om eerst zelf oplossingen te zoeken voor tekorten. Mocht het echt niet lukken om een kapotte wasmachine of een te kleine kinderwinterjas te vervangen, dan was daar altijd nog de bijzondere bijstand.
Lang niet alle Enschedeërs die er aanspraak op maken ontvangen inkomenstoeslag. Volgens cijfers die de gemeente verstrekte, zaten eind 2024 bijna 3.000 Enschedeërs langer dan vijf jaar in de bijstand. Maar er zijn meer groepen met een laag inkomen; denk aan inwoners met een andersoortige uitkering op minimumniveau en zelfstandigen die het hoofd net boven water houden.
Er is in het afgelopen decennium met enige regelmaat onderzocht welk deel van de groep die aanspraak maakt op inkomenstoeslag ook daadwerkelijk aanvraagt. De aantallen schommelen enigszins, maar zijn redelijk constant: 6.000 Enschedeërs behoren tot de doelgroep, tussen de 25 en 30 procent ontvangt inkomenstoeslag. Zo’n 4.000 Enschedeërs lopen dat jaarlijks mis.
Een (fors) lagere inkomenstoeslag die nooit is geïndexeerd, veel Enschedeërs die ‘m niet ontvangen: al met al heeft het de gemeente een flinke besparing opgeleverd. Die is moeilijk exact te berekenen, maar we kunnen wel een goede indicatie geven.
De inkomenstoeslag (toen nog ‘langdurigheidstoeslag’) ging per 1 januari 2012 van 345 euro naar 114 euro. Was dat niet gebeurd en was de uitkering met 3 procent per jaar geïndexeerd, dan had een alleenstaande ruim 4.000 euro meer gehad. Datzelfde geldt - ongeveer - voor een ouder of stel met twee jonge kinderen. Zijn of waren die kinderen ouder, dan was dat 3.000 euro meer geweest.
Alleenstaanden en een-oudergezinnen met jonge kinderen vormen het leeuwendeel van de groep waarom het hier gaat.
Lees verder onder de afbeelding.
Volgens cijfers van de gemeente zijn er in het afgelopen decennium jaarlijks gemiddeld zo’n 1.840 inkomenstoeslagen toegekend. Met die sterk gekorte en niet geïndexeerde bedragen in 2012 is de gemeente daar in de afgelopen tien zo’n 7 miljoen euro minder mee kwijt geweest dan anders het geval was geweest.
Onderzoeksbureau Pro Facto berekende dat Enschede in 2011 nog ruim een miljoen euro kwijt was aan individuele inkomenstoeslag. In 2012 en 2013 was dat bijna 700.000 euro minder. Dat levert een vergelijkbaar plaatje op: een besparing van zo’n 7 miljoen in tien jaar.
Het lukt in de praktijk nooit helemaal, maar waren alle inwoners van de stad bereikt die in aanmerking kwamen voor inkomenstoeslag, dan was er in de afgelopen tien jaar nog eens ruim 14,5 miljoen meer uitgegeven. Omgerekend is de stad, nadat in 2012 de snoeischaar werd gehanteerd, jaarlijks ruim 2 miljoen minder kwijt geweest aan inkomenstoeslag voor minima.
Nog één toevoeging: de gedachte in 2012 was dat er een groter beroep gedaan zou worden op de bijzondere bijstand. Een verschuiving dus van inkomenstoeslag, die jaarlijks wordt verstrekt en vrij kan worden uitgegeven, naar een eenmalige bijdrage voor een specifieke uitgave. Maar dat is niet gebeurd. Door de jaren heen zijn de kosten voor bijzondere bijstand redelijk constant gebleven.
Individuele inkomenstoeslag is bedoeld als een extraatje voor minima. Het gaat om een jaarlijkse aanvulling op het inkomen, die een keer per jaar wordt aangevraagd en uitgekeerd. De gemeente is daar verantwoordelijk voor. Over de inkomenstoeslag wordt geen belasting geheven en er gelden geen voorwaarden voor de besteding. Dat is een belangrijk verschil met bijzondere bijstand; die draait om een specifieke uitgave en is niet vrij besteedbaar.
In aanmerking komen inwoners vanaf 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd, die (in Enschede) langer dan vijf jaar een inkomen op bijstandsniveau en geen of weinig vermogen hebben. Zonder echt uitzicht op verbetering.
De individuele inkomenstoeslag werd ingevoerd in 2015 en verving de langdurigheidstoeslag. Tot 2009 bepaalde het Rijk de hoogte van de bedragen. Daarna kregen gemeenten beleidsvrijheid. In 2019 voerde Enschede een aanvullende inkomenstoeslag voor kinderen in.
Enschede is sinds 2011 jaarlijks tussen de 4,5 en 5,5 miljoen euro aan bijzondere bijstand kwijt. Met betrekkelijk geringe uitschieters in 2012 (3,7 miljoen), 2021 (6,3 miljoen) en 2022 (4 miljoen).
Ongeveer de helft daarvan wordt besteed aan kosten voor bewindvoering; dat gaat dus om mensen met problematische schulden. Dat aandeel is na 2012 in een paar jaar tijd verviervoudigd. In 2012 stonden er 101 Enschedeërs bij de Stadsbank onder beschermingsbewind. In 2013 waren dat er 250, twee jaar later 415. Dat aantal is sindsdien redelijk constant gebleven; vorig jaar ging het ook om 415 mensen.
Enschede legt al langere tijd de nadruk op kinderen. De gedachte: die zijn de toekomst, in hen investeren zet op termijn zoden aan de dijk. Waar de gemeente met geld voor armoedebestrijding kan schuiven om gezinnen met kinderen te ondersteunen, gebeurt dat ook. Maar het zijn vooral alleenstaande Enschedeërs die landurig rond moeten komen van een minimum.
De Enschedese gemeenteraad besloot eerder dit jaar om de inkomensafhankelijke toeslag te verhogen en in de toekomst wel elk jaar aan te passen een de inflatie (te indexeren). Met ingang van volgend jaar gaan aanvragers uit alle groepen - alleenstaanden en ouders met jongere of oudere kinderen - er een paar euro op vooruit.
Daar is extra geld voor uitgetrokken: oplopend van 20.000 euro in 2025 tot 70.000 euro in 2027.
Voor dit artikel is onder meer gebruik gemaakt van online gegevens van genoemde gemeenten, het Enschedese jaarverslag van de Wet werk en bijstand uit 2013, het eindrapport ‘Armoede, participatie en beleid’ van de Enschedese Rekenkamer (24 april 2015), het eindrapport ‘Participeren in Noaberschap’ van Pro Facto (april 2015), het rapport ‘Onderzoek Evaluatie Armoedebeleid 2018’ van onderzoeksbureau KWIZ, jaarstukken van Stadsbank Oost-Nederland en de registratie van gemeenteraadsvergaderingen van november 2020.