Een deel van de oudste gebouwen op de campus van Universiteit Twente wordt straks extra beschermd met een monumentenstatus. Op verzoek van het college van B&W heeft een lokale commissie advies uitgebracht over het toevoegen van negen bouwwerken en complexen aan de lijst met gemeentelijke monumenten. Het advies om die aanwijzing ook daadwerkelijk te doen wordt nu overgenomen. Dat betekent dat een aantal onderwijsgebouwen, maar ook studentenhuizen, de klokkentoren en het tennispaviljoen de status monument krijgen.
Op dit moment wordt er door de gemeente Enschede, de Universiteit Twente en woningcorporatie De Veste nagedacht over hoe de toekomst van de campus eruit komt te zien. Voordat dat traject wordt ingezet, wil het college ervoor zorgen dat de cultuurhistorische elementen in het gebied behouden blijven. Vanuit het niets moest er in de jaren zestig een universiteit (technische hogeschool) gebouwd worden. Het oostelijke gedeelte van het terrein was bestemd voor de grote onderwijsgebouwen, het westelijke gedeelte (het voormalige landgoed) voor de huisvesting van studenten en staf. Aan de basis van dit masterplan uit 1962 lagen architecten Willem van Tijen en Sam van Embden. Een overzicht van de gebouwen en complexen die worden voorgedragen als gemeentelijk monument.
Toen Enschede in het begin van de jaren zestig werd aangewezen als locatie voor de Technische Hogeschool Twente (THT), moest er binnen korte tijd huisvesting uit de grond worden gestampt voor studenten en staf. Architect Willem van Tijen werkte aan 250 woon- en studievoorzieningen voor het studiejaar 1964-1965, oplopend tot 1.250 in het studiejaar 1968-1969. De zogeheten 'Studentenhuisvesting 1ste Tranche' zijn de oudste woongebouwen van de campus waarvoor toenmalig minister Cals in 1963 nog de eerste steen zou leggen. De zeven portiekflats, die begin jaren negentig nog eens gerenoveerd zouden worden, hebben een herkenbare 'molenwiek-vorm'.
Omdat architecten Van Tijen en Van Embden in de beginfase van de Technische Hogeschool Twente hun handen vol hadden aan de ontwerpen voor onderwijsgebouwen en woningen, werd er voor het ontwerp van andere noodzakelijke gebouwen gekozen voor jonge en talentvolle architecten. Zo werd Joop van Stigt gevraagd om de nieuwe personeelskantine te ontwerpen. Bedoeld om stafleden die uit 'helverlichte hallen en laboratoria kwamen, gedurende een korte ontspanningspauze het gevoel van beslotenheid te geven', zou de architect zijn ontwerp zelf hebben beschreven. Het gebouw aan de Dienstweg, dat tegenwoordig Paviljoen heet en een kantoorfunctie heeft, is vorig jaar nog gerenoveerd en gemoderniseerd.
Na de bouw in 1964 heette dit pand het Gebouw voor Bestuur en Beheer, maar tegenwoordig luistert het naar de toepasselijke naam De Spiegel. De glazen puien zijn in feite het eerste dat je ziet als je vanuit de Hengelosestraat de campus oprijdt. In de tijd van de bouw leidde zelfs een vierbaansweg met brede middenberm van de Hengelosestraat naar het noorden
van de campus. In de eerste fase van de bouw van de universiteit was er geen tijd om gespecialiseerde faculteitsgebouwen te realiseren. Er is dus gekozen voor tijdelijke gebouwen die geschikt waren voor meervoudig gebruik. De Spiegel is daar een voorbeeld van. De westelijke vleugel dient nog steeds als onderwijsgebouw en de collegezalen zijn behouden.
In het midden van het zogeheten sierpark staat de klokkentoren. Architect Gerrit Rietveld bedacht voor plek een eye-catcher met een geestelijk centrum. Het bleef bij een ontwerpschets, omdat Rietveld zou overlijden. Het geestelijk centrum zou niet meer worden gebouwd, maar de klokkentoren voor het carillon werd wel gerealiseerd. Rietveld had kennelijk voor dit gebouw wel een uitgewerkte schets klaar. Toen op 14 september 1964 koningin Juliana en prins Bernhard arriveerden voor de opening van het academisch jaar, beklom de beiaardier de klokkentoren en speelde het studentenlied Gaudeamus Igitur. Het carillon is tegenwoordig nog altijd in gebruik.
Al in de eerste jaren van de Technische Hogeschool Twente werd een 55 meter hoog gebouw uit de grond gestampt. Het gaat om het gebouw voor Elektrotechniek en Fysica, in de volksmond beter bekend als De Hogekamp. Het hoofdgebouw was geschikt voor uiteenlopende laboratoriumfuncties. De toren (silo) kreeg verdiepingen van anderhalve hoogte voor grotere experimentele opstellingen en een collegezaal. Op de begane grond van de toren was het ketelhuis ondergebracht opdat het hoofdgebouw zo min mogelijk last had van trillingen. Het bijgebouw (bunker) was bedoeld voor verschillende vormen van trillingvrij onderzoek. In jaren 2014 tot 2019 is het gebouw herbestemd als studentenaccommodatie met circa 450 studentenkamers en gemeenschappelijke ruimtes en een hotel met circa 70 kamers en congresfaciliteiten.
Het gebouw voor Toegepaste Wiskunde en het Rekencentrum zijn de enige twee gerealiseerde onderdelen van wat nog een veel groter gebouw met dwarsverbindingen had moeten zijn. Voor die andere onderdelen waren voorzieningen als het ketelhuis, hoorcollegezalen, de bibiliotheek en een computerzaal in gedachten. Zo ver kwam het niet voor de opening in 1973. Na een brand in 2002 ging het Rekencentrum verloren. Het deel van Toegepaste Wiskunde bleef bij die brand bespaard en werd in 2004 heropend als Cubicus. Het karakteristieke gebouw, dat deels op pilots in de vijver staat, huisvest tegenwoordig de faculteit Gedragswetenschappen.
Met een boogschietbaan, sintelbaan, tennisbaan, zwembad en velden voor teamsport waren de voorzieningen op de campus in de begindagen beter dan die in de stad Enschede. De meeste van deze sporten werden toen voornamelijk door de gegoede klassen beoefend. Het tennispaviljoen en de tijdelijke sporthal waren de eerste gebouwde sportfaciliteiten op de campus. Het tennispaviljoen, gerealiseerd rond 1964, was het eerste gebouw dat ook ruimte bood aan het sociale aspect van sport. En dat doet het nog altijd.
Door de snelle groei van het aantal studenten was de Technische Hogeschool Twente als snel toe aan nieuwe studentenwoningen. Dit leidde in 1967 tot de ingebruikname van de 'vierde tranche' met kamers voor zo'n 500 studenten. Elk blok van deze tranche bestaat uit zeven geschakelde wooneenheden en heeft een assymetrische vorm. De wooneenheid bestaat uit drie bouwlagen met splitlevel waardoor de eenheid twee verschillende bouwhoogtes onder platte daken heeft. Een bijzonder bouwstijl die nu wordt gewaardeerd als gemeentelijk monument. Een van de blokken (nrs. 44-56) zijn in de jaren negentig gerenoveerd en onderscheidt zich door een afwijkende gevelindeling en -bekleding.
De eerste vier tranches van studentenwoningen waren alleen bedoeld voor mannelijke studenten. Over de huisvesting van vrouwelijke studenten had niemand nagedacht. Er werd vanuit gegaan dat vrouwen buiten de campus, bij een hospita in de stad, zouden gaan wonen. Maar ook de vrouwelijke studenten wilden deel uitmaken van het campusleven. Aanvankelijk werden zij tijdelijk ondergebracht in het flatgebouw voor ongehuwde staf, maar uiteindelijk ging het bestuur toch overstag voor de bouw van eigen huisvesting. Architect Herman Haan hield rekening met de wensen van studentes. Dat resulteerde in kleinere woongroepen dan gebruikelijk, namelijk groepen van zes studenten. Qua opzet weken de woningen niet af van de standaard die in de eerdere tranches was bepaald: elke wooneenheid beschikt over een ontbijtkeuken en individuele studentenkamers.
Beslist anders was het aparte gebouw met een gemeenschappelijke ruimte en de aangrenzende woning voor de chaperonne. Vanaf bouwjaar 1966 zijn in de eerste fase vier wooneenheden gerealiseerd. Tot een tweede fase kwam het niet. In 1989 werd de aparte studentenhuisvesting voor meisjes afgeschaft, omdat er geen belangstelling meer voor was. In 1992 is het bijgebouw herbestemd als instructie-accommodatie en de studentenwoningen tot logiesaccommodatie.