Video

Ton Ouwehand met de column van de dag

Ton Ouwehand met de column van dinsdag 1 december

De Bovenbuurman

Er zijn saaiere plekken om je jeugd door te brengen. Tussen 1960 en 1969 woonde ik met mijn ouders en broertje op de tweede verdieping van een portiekwoning in de Albert Neuhuysstraat te Amsterdam. Een portiek verderop, ook op twee hoog woonde Annie MG Schmidt, maar die was tien jaar voor wij er kwamen al weg. En we woonden er nog maar net of aan de overkant van het grasveld waarop wij uitkeken werd Jaap van Zweden geboren, al moet ik eerlijk bekennen dat we daar weinig van merkten. Op dat grasveld kon je trouwens voetballen, als je kon voetballen. En als je bovendien niet vies was van hondenpoep. Al waren er niet veel honden in de buurt. Ja, er was een bokser. Mijn vader had me uitgelegd dat je een bokser altijd kan herkennen aan de platgeslagen bek. Hij zei wel meer eigenaardige dingen. Een klasgenoot die Karel-Jan heette, noemde hij liever carillon. Een dubbele naam klonk nergens naar vond hij, een carillon vaak wel. Er was dus een bokser in de buurt en die had een beroemd baasje die om de hoek woonde. Baasje was een man met bruine jas en kale kop die luisterde naar de naam Herbert Joeks. Wij kenden hem van de televisie. Hij speelde de indiaan Klukkluk in de tv-serie Pipo de Clown. Het zal in deze tijd wel worden opgevat als racistisch wegzetten van de roodhuid, maar wij waren er trots op dat Klukkluk zijn hond uitliet op ons grasveld.

In de laatste week van maart 1969 fietste ik naar het Hilton Hotel. Dit om naar het raam te kijken waarachter John Lennon met z’n vrouw een weekje in bed lag, in de veronderstelling daarmee wereldvrede te bewerkstelligen. Eens in de zoveel tijd draaide hij zich naar het raam om naar beneden te kijken, had ik gehoord. Dat wilde ik checken. Inderdaad. Ik zag hem en hij zag mij waarschijnlijk ook, want hij zwaaide. Thuis schreef ik in mijn Rijam-agenda: ‘volg Lennons voorbeeld, Peace in bed’. Ik had in Amsterdam wapenfeiten genoeg verzameld om in de zomer van datzelfde jaar 1969 met mijn ouders en broertje mee te emigreren naar Twente. Vijftien worden, dat kon daar ook wel. Sommige aspecten van het leven zie je domweg over het hoofd als je jong bent. Bijvoorbeeld onze Amsterdamse buren.

Wij woonden op de tweede verdieping. Onder ons woonde de familie Puntman, katholieken zoals katholieken zijn bedoeld. Met een kruisje boven de deur en een zachte g. Hun oudste zoon nam mij als klein ventje een keer mee naar de slager in de Haarlemmermeerstraat. Eenmaal in de winkel vroeg hij: ‘doe eens net of je wat in mijn oor fluistert.’ Toen ik dat deed zei hij heel hard dat het onbeleefd was als je daarom vroeg. Wat tot gevolg had dat de slager voor ons beiden een plakje worst afsneed. Over de buren van drie hoog was weinig te melden. Een ouder, beetje deftig echtpaar: meneer en mevrouw Van Tongeren. Hij had artistiek grijs lang haar. Als hij de trap afliep was hij eerder beneden dan zijn achter hem aan wapperende nekharen. En mevrouw Van Tongeren had vanwege haar dagelijkse zangoefeningen een bijnaam die ze dankte aan mijn neef die een keer bij ons was toen zij net aan het zingen was, of wat daar voor door moest gaan. ‘Hoor’, zei mijn neef, ‘daar heb je Marie Brulboei.’

1982

Twaalf jaar in Twente, dezelfde neef stuurt een krantenartikeltje op dat hij uit de Telegraaf had geknipt. Hij had er met pen boven geschreven: was hij niet jullie bovenbuurman? Op de foto stond herkenbaar de heer Van Tongeren. Hij bleek een voornaam te hebben. Jan. Het stukje ging over een expositie in een galerie in Amsterdam ter gelegenheid van zijn 85ste verjaardag. Dat hij schilderde wist ik wel. Als ik naar mijn zolderkamer ging op de vierde verdieping, kwam ik langs zijn werkkamer. Daar stonden tegen het traphekje altijd wel wat schilderijen. Allemaal stillevens, voor zover ik het kon bekijken. Maar ik ging ervan uit dat het schilderen van stillevens sinds de uitvinding van de kleurenfoto geen meer zin had. Tenzij je mond- en klauwschilder was natuurlijk. In het artikeltje stond ook dat Jan van Tongeren oud-directeur van de Rietveld Academie was. En dat woonde gewoon boven ons.

2020

Nooit meer aan Jan van Tongeren gedacht. Tot twee weken geleden. Vraag niet hoe het kan, maar ineens herinner ik me dat krantenstukje van mijn neef weer. En ook bedenk ik dat mijn broer ooit in een tweedehands boekwinkel voor 50 cent een klein boekje over een expositie van Jan van Tongeren had gevonden. Ik ga kijken of ik dat boekje ook ergens kan vinden. Als ik zijn naam google kom ik op een boek over hem: ‘componist van kleuren’. Schappelijk prijsje: €7,95 inclusief verzendkosten. Ik maak ik het bedrag over en wacht af. Twee dagen later wordt een schitterend boek bezorgd. 100 pagina’s. Groot formaat. Een uitgebreide biografie waarin staat dat Jan van Tongeren met zijn vrouw - die dus ook een naam blijk te hebben - vanaf 1932 in de Albert Neuhuysstraat 24 op 3 hoog woonde. Hij en Marie Brulboei hebben daar dus Annie MG Schmidt zien wonen. Ze moeten Jaap van Zweden naar vioolles gebracht hebben zien worden. Zijn atelier wordt beschreven als een op het gebouw geplaatste glazen doos. Daar schilderde hij met noorderlicht. Dat gebeurde dus gewoon boven ons hoofd.

Er staat een foto in het boek van mijn bovenbuurman samen met Carel Willink. Misschien heeft Carel Willink wel op onze trap gelopen, denk ik. Maar aan de andere kant realiseer ik me dat ik Willink in die tijd helemaal niet kende. Laat staan dat ik hem op de trap zou herkennen. Het boek over Jan van Tongeren is van 2009. Dat is veertig jaar nadat ik hem voor het laatst heb zien. Hij is dan al achttien jaar dood. Het is uitgebracht ter gelegenheid van een overzichtsexpositie met ruim vijftig schilderijen. Een enkele meen ik zelfs te herkennen, ik verbeeld me dat ik die in de gang heb zien staan. Voor de tentoonstelling hebben velen uit binnen – en buitenland hun Van Tongeren aan het museum uitgeleend. Het museum zelf had zelfs tien originele Van Tongerens in de eigen collectie. Ik zeg: ‘had’. Want het was de laatste expositie die het museum organiseerde voor het failliet ging. De laatste activiteit van het Dirk Scheringa museum in Spanbroek ging over mijn bovenbuurman. Vandaar dat die catalogus zo goedkoop is.

Ik haal het pakpapier nog even uit de krantenbak. Verstuurd door een veilinghuis. Ik bestel nog maar zo’n boek. Dat is wel het minste wat ik voor mijn voormalige buurman kan doen. Eigenlijk moet ik nodig eens uitzoeken of de broers Eli en Gerard van Tongeren misschien familie van hem zijn. Want dan had mijn bovenbuurman iets met de Buffoons te maken. En John Lennon had de Buffoons in 1969 naar het Hilton Hotel laten komen. Hij vond ze goed, hij had ze op televisie gezien bij Robbie Dale. En misschien waren de Buffoons na afloop wel even langs geweest bij Ome Jan. En dan hadden er echte Buffoons over onze trap gelopen. Nou ja, die had ik dus wél herkend.